Zomaar…

Soms begint een toekomst zo: met één onverwacht moment langs een rustige weg…

Vanmiddag waren we een rondje om met Lewis. Nou ja, rondje… het werd een flinke ronde. Door de achterlanden. BumbleBee blijkt een meer dan fijne aanwinst binnen ons huishouden. Kilometers maken we. De wind deert me niet.

Ik geniet. Met hoofdletters.

We maakten een ronde door de omliggende dorpen. Langs weilanden en boerderijen. En ineens was het daar.

Zomaar. Onverwacht. Liefde op het eerste gezicht.

Een woonboerderij. Zoals ik daar als kind al van droomde. Ruimte voor kippen en geiten. Een schuur met carport. Ruimte voor ons wagenpark en ruimte voor knutselen en klussen (voor manlief, ik ben niet zó egoïstisch dat ik alleen mezelf wat diertjes gun).

Ruimte.
Rust.

Verder weg en toch nog dichtbij.

Je hebt van die momenten dat alles in elkaar valt. Nou ja… bijna alles. Het staat namelijk helemaal (nog) niet te koop en we kunnen het ook (nog) niet betalen, denk ik. Maar dat boeit eigenlijk niet. Het was en is het. Mijn droom. Onze droom.

Begint manifesteren niet met het hebben van een verlangen? Nou, bij deze dus. Alles klopte. Zelfs het huisnummer (ik heb een tic met huisnummers).

Dat verlangen, dat is er dus!

De manifestatie is van start gegaan.
En daarmee het proces dus ook.

Ik herhaal maar even waar ik mee begon:
Soms begint een toekomst met één onverwacht moment.

Zomaar ergens langs een rustige weg…

Geklieder in de kantlijn

Hoe vaak moet iemand bewijzen dat hij ziek is voordat we hem geloven?

Misschien ben ik wel het perfecte voorbeeld voor deze vraag. Ik werd geboren met een erfelijke aandoening waarvan we het bestaan niet wisten, noch vermoedden. Ik was gewoon ik: hypermobiel zonder te weten wat dat betekende, wat onhandig, beperkt in mijn energieniveau en blessuregevoelig. Indrukwekkende platvoeten en instabiele knieën.

Ik wist niet dat ik iets mankeerde, laat staan wat dan. Ik wist alleen dat ik anders was dan anderen. Een uitzondering. Ik had bovengemiddeld vaak blessures. Ontstekingen. Scheurde of verrekte elke gewrichtsband die je kunt verzinnen. Ik was lid van de firma Kluns & Klungel.

Jaren later kreeg ik een stempel: EDS. Chronisch ziek. Maar toen had ik mijn fysieke grenzen al veel te vaak genegeerd.

Chronisch. Dat betekent: altijd.

Het is dubbel. In mijn hoofd probeer ik het stempel los te laten. Ik wíl niet geloven in chronisch, omdat ik vóel dat ik ruimte moet houden voor herstel. Tegelijk heb ik datzelfde stempel nodig. Praktisch. Zonder diagnose geen hulp. Zonder hulp geen ruimte om te herstellen. Mijn lijf heeft tijd nodig. Dat hoop ik althans.

Dat klinkt tegenstrijdig voor sommigen. En het maakt wantrouwen los bij anderen.

Laat ik het simpel zeggen: als chronisch altijd betekent, kan het niet beter worden. En als het beter kan worden, is het dan nog chronisch? Het zijn twee waarheden die, hoe ik er nu tegenaan kijk, naast elkaar kunnen bestaan.

Hoe vaak moet iemand bewijzen dat hij ziek is voordat we hem geloven?

En als we hem uiteindelijk geloven, als hij eindelijk de hulp krijgt die hij nodig heeft, wat gebeurt er dan als hij voorzichtig opkrabbelt? Trekken we de steun dan weer in? Of gunnen we hem de ruimte om een stukje eigen regie terug te pakken?

Ik heb jarenlang gesprekken gevoerd met instanties. Keukentafelgesprekken. Keuringen. Formulieren en indicaties. Iedere stap moest ik verantwoorden. Vooruit én achteruit. Dat gevoel, dat je bestaan meetbaar moet zijn, dat raak je niet meer kwijt.

We leven binnen een systeem dat is ingericht op controle. Op meten. Op verantwoorden. Op vastleggen. 

Wat, of wie, niet binnen de marges past, roept vragen op. Wat niet voorspelbaar is, vraagt om extra bewijs.

Geen geklieder in de kantlijn.

Maar daar, precies daar, speelt het echte leven zich af. Tussen die regels. In de ruimte waar het niet netjes uitkomt.

Iedereen kan iets

Ik las het gisteren in een reactie op een bericht over de voorgenomen hervormingen van ons nieuwe kabinet.

‘Iedereen kan iets.’

Bij het lezen van deze zin gebeurde iets bijzonders. Ik zette intern mijn hakken in het zand, maar ik ben het er ook mee eens.

Deze inwendige tweestrijd is denk ik tekenend voor een probleem in onze samenleving.

Ik zou mezelf niet zijn als ik beide reacties niet uitgebreid zou analyseren. Laat me beginnen bij de eerste, die hakken die direct in het zand gingen.

Een jaar of veertien geleden kwam ik voor de derde keer in mijn leven in aanraking met het fenomeen ‘afkeuren’. De eerste keer was zo rond mijn vierentwintigste, een dubbele hernia gooide behoorlijk wat roet in mijn werkzame leven. Het herstel kostte mijn lichaam te veel tijd en ik werd overgeleverd aan het UWV. Ik weet niet meer precies hoe het verder ging, maar ik heb uiteindelijk mijn werkzaamheden weer op weten te pakken. Mijn lichaam was echter niet in staat het tempo van mijn hoofd, van mijn willen, bij te houden.

Dat leidde tot langdurige ziekmelding nummer twee. En dus terug naar het UWV.
En dat proces herhaalde zich nog een derde keer. De zin: iedereen kan wel iets, heb ik vaak moeten horen in mijn leven.

Het maakte dat ik zo ver over de grens ging dat ik drieëntwintig uur per dag plat kwam te liggen. Dat ik wegviel, niet meer bereikbaar was zelfs. Mezelf niet meer kon redden zonder hulp. Van voren niet meer wist dat ik van achter bestond. Het UWV riep dat ik altijd nog brugwachter kon worden, ik kon immers nog best op een knop drukken. Of op mijn rug gaan liggen…

Mijn leven werd weggezet als een nummer, met een euroteken ervoor.

Het was en is denigrerend.
Onmenselijk.

Dat zijn de hakken die ik voel op zo’n moment. Trauma. Al klinkt dat woord voor sommigen misschien te zwaar. Zij hebben niet de ervaringen die ik heb.

En dan is daar dat andere gevoel. Dat gevoel dat ik tegenwoordig heb. Dat gevoel dat zegt: JA! Iedereen kan iets!

Alleen komt dat iets niet tot zijn recht in onze huidige samenleving.

Een werkgever kan niets met iemand die fysiek onbetrouwbaar is. Ons systeem vraagt dingen van mij die ik niet kan leveren. Ik ben afhankelijk van mijn staat van zijn. De ene dag kan ik alles. De volgende kan ik niets. Er zijn nogal wat randvoorwaarden en die laten zich niet vangen in een overeenkomst.

We leven in een samenleving die uitgaat van wantrouwen. Van misbruik van het ‘systeem’. Terwijl de mensen die zo ontzettend graag willen thuis achter de geraniums zitten, of liggen. Niet in staat te functioneren binnen de hokjes. En die gestraft worden als ze hun hokje verlaten.

Iedereen kan iets.
Alleen niet binnen dit systeem.

Februari

En toen was het februari. Het lijkt een ‘dingetje’ te worden: terugkijken op maanden alsof er weer een jaar voorbij is in plaats van een maand. Op tv tenminste. Ik ga er (denk ik) geen ding van maken. Oké, heel even dan. Voor nu.

Vorige week nam ik officieel afscheid van mijn elro. Met dubbele gevoelens. Die worden vooral ingegeven door een klein restantje onzekerheid. Als je lichaam je zo hard in de steek heeft gelaten, althans, zo voelt dat, laat dat sporen na. Daar reken ik beetje bij beetje mee af. Gedachte voor gedachte. Steeds een stapje dichter bij het terugvinden van vertrouwen.

Ik hoef geen wielen te missen. Ze zijn veranderd. Geëvolueerd. Ik leer weer op eigen benen staan, in meerdere opzichten. Je bent nooit te oud om te leren.

Ik schrijf dit stukje opgevouwen in een stoel voor het raam van een vakantiehuisje, mijn gezicht in het zonnetje. Uitzicht op een gecreëerd meer. De sneeuw kleurt het landschap nog grotendeels wit, al heeft de dooi ook hier ingezet. Op tv zag ik een terugblik naar januari, daar begon dit stukje ook mee. Een mevrouw vertelde klaar te zijn met de kou, de sneeuw en het natte weer. Welkom in de winter. Witter dan we gewend zijn. Jammer alleen dat de overgang altijd gepaard gaat met natte zooi.

En zo heb ik alweer een heel stuk tekst opgelepeld zonder veel te zeggen. Soms is dat genoeg: woorden geven aan een overgang. Je zou er een programma aan kunnen wijden. Of een podcast. Kletsen met kneuzen. Iemand interesse? Weet wel: als je met mij praat, liggen filosofische gedachten altijd op de loer. Wie horen wil, zal voelen. Of niet.

Nou ja. Mijn blog. Mijn gedachten.
Ik wens jullie een zonnige dag vanuit mijn stoel voor het raam.

Maak er wat moois van vandaag.

Een goed jaar?

Traditiegetrouw een overzichtje. Een terugblik, zo je wilt, op het afgelopen jaar. Ik zit voor de houtkachel, in een schattig huisje ergens in the middle of nowhere in Normandië. Lewis ligt naast de gewone kachel. Iets minder warm. Het kan mij bijna niet warm genoeg zijn vandaag; mijn lijf heeft wat moeite zich warm te houden. Overbelasting, denk ik. Dat krijg je van dat vluchtgedrag, maar daar ga ik het verder niet over hebben hoor.

Even terug in de tijd, in mijn hoofd. Dat vind ik best lastig, ik ben tegenwoordig meer van het leven in het nu.

Vorig jaar startte ook in Normandië, ook veel aan zee. Ik hou daar zo ontzettend van! Net als van het bos trouwens; beide hebben een eigen charme. Sowieso ben ik het liefst buiten, in de natuur, of naast de kachel dus. Die we thuis niet hebben. Vloerverwarming is comfortabel, maar dit… dit is echt heerlijk.

Terug naar het onderwerp. We hebben veel gezien het afgelopen jaar. De camper deed zijn intrede. Manlief heeft er heel wat uurtjes in gestoken en het resultaat mag er zijn. Half juni gingen we er voor het eerst op uit en dat is goed bevallen. Ook nu vergezelt hij ons. Lewis heeft een mooi plekje voorin, tussen ons in, en lijkt het prima te vinden. Een geslaagd project dus.

Mijn lijf en ik redden ons over het algemeen prima het afgelopen jaar, en daar ben ik dankbaar voor. Gezondheid is toch een van de belangrijkste dingen in het leven, zo niet de belangrijkste. Ik werk(te) hard aan opbouw, wat in mijn geval betekent dat ik vooral hard probeer niet te veel te doen. Want ik wil vaak meer dan eigenlijk verstandig is.

Ook mentaal werk ik aan mezelf. Ik probeer dingen los te laten. Mezelf verantwoorden voor wat ik doe, bijvoorbeeld. Schuldgevoel hebben over iets dat ik krijg en dat ik anderen ook zo gun. Dat is niet mijn strijd; die mag ik laten gaan. En ik mag leren mezelf ook dingen te gunnen. Trots te zijn op wat ik bereikt heb, want dat is niet niks.

Ik probeer de focus te leggen op de mooie dingen in ons leven en de rest van de wereld soms even daar te laten. Niet omdat het me niets kan schelen, maar omdat ik mijn energie nodig heb. Voor mezelf. Voor mijn gezin. Voor mijn ouders. Voor de mensen die belangrijk voor mij zijn.

Ik schreef een nieuw boek; promoten stel ik uit tot volgend jaar. Ik begon voor mezelf, schreef me in bij de KvK en heb grote dromen. Daar werk ik aan en naartoe. Ik wil mensen inspireren en laten zien dat je ook met een chronische aandoening waarde hebt. Die plannen krijgen langzaam meer vorm. Ik omarm mijn talenten en heb ook wat dingen los te laten om ruimte te maken voor mooie nieuwe dingen.

2025 ging over loslaten.
2026 gaat over vinden. Over dromen die uitkomen.

Ik wens iedereen een goede, veilige en liefdevolle jaarwisseling en een werkelijk fantastisch nieuwjaar; dat dromen uit mogen komen!

Wie leeft in angst…

Ons huishouden heeft een nieuwe aanwinst.

Stoer. Cool. Hightech. 

Ik wil jullie graag even voorstellen aan Bumblebee! De nieuwe stoel in mijn leven.

Even een paar jaar terug in de tijd. Naar toen ik nog in Alex reed, mijn eerste elektrische rolstoel. Ergens op de digitale snelweg zag ik een advertentie van een rolstoel die gebouwd was op een Segway. Ik was op slag verliefd! Deze stoel was niet zomaar een droom. Deze stoel was dé droom. En dat bleef hij ook, voorlopig.

Alex werd vervangen door elro nummer twee. En ik legde mij neer bij die situatie. Maakte flink wat kilometers. De techniek stond echter niet stil en mijn lijf ook niet. Ik vond de weg omhoog. Werkte aan mijzelf, mentaal en fysiek. Stapje voor stapje ging ik vooruit. Nog steeds dromend van die andere stoel, van een andere manier van rollen. 

Die wens, actiever kunnen rollen, werd een noodzaak voor mij. Ik voelde aan alles dat ik mijn vooruitgang blokkeerde. Dat ik mezelf tegenhield. In de weg zat. Ik durfde niet te dromen uit angst voor de verwachtingen van anderen. Ik nam hun angsten over.

Het was tijd om te gaan vertrouwen op mijn eígen gevoel. Tijd om mijn angsten los te laten en te gaan bouwen aan een ander soort toekomst. Ik leerde: wat voor de één een wens is, kan voor de ander een beperking zijn, en andersom.

Eén van de toverwoorden in mijn leven is altijd al balans geweest. Laat dat nou net de techniek zijn waar die Segway, waar ik van droomde, op gebouwd is. Ik stapte uit mijn comfortzone. Wie niet waagt, wie niet wint. 

En nu, bijna negen maanden later (het is echt een soort zwangerschap geweest, compleet met bevalling) staat hij hier. Ben ik de dolgelukkige, enthousiaste en ontzettend dankbare eigenaar van Bumblebee. Een knalgele Genny Zero, die zo uit de ‘Transformers’ lijkt te zijn gestapt. 

Met een enorme grijns rij ik door de wijk. In een nieuwe realiteit. Mezelf realiserend: wie leeft in angst gaat nooit vooruit. 

What the mind believes…

Ik las een uitspraak die ik opgeslagen heb en die door mijn hoofd blijft spoken. 

‘What the mind believes, the body achieves.’ 

Vrij vertaald, je kunt alles wat je kunt geloven. Ik geloof dit, zonder twijfel. En tegelijk voel ik het (nog) niet. Heb ik blijkbaar nog moeite om afscheid te nemen van bepaalde beperkende overtuigingen. Is er nog werk aan de winkel.

Even een paar dagen terug in de tijd. Maandag had ik een gala. Het musical benefiet gala, in Scheveningen. Grote namen stonden samen op het podium voor het goede doel en ik mocht erbij zijn. Nou ja mocht, ik kocht gewoon een kaartje, maar ik was erbij. Bestelde een knappe jumpsuit voor de gelegenheid. En ging naar de plaatselijke drogist voor wat plamuur. Moest nog advies vragen ook, want ik doe niet aan make-up. Ben er te lui voor, of te moe, dat is maar hoe je het ziet. 

Ik ging met een vriendin, sliep in een hotel en ging met het OV. Veel prikkels. Zoveel prikkels. Mijn prikkelgevoeligheid is niet zo best, ik word serieus al gek in de supermarkt. Tel hier de keuzestress bij op voor a) welke schoenen passen bij mijn pak en kan ik er ook nog een stukje op lopen? b) welke jas moet/kan ik erbij aan en c) durf ik het wel aan met het OV? Dat speelde ‘s morgens dus al. 

Mijn rationeel brein vind deze stress overdreven en onzinnig, maar mijn zenuwstelsel slaat op dit soort dagen compleet op hol. 

De avond was leuk, lekker gegeten, mooie muziek, alles op loopafstand, zelfs voor mij. Hotel was prima, bed was goed. Slapen iets minder, maar ja, ik slaap dan ook zelden alleen en ben dat dus niet gewend. Ik mis gewoon mijn vent, zeker op zo’n moment. 

De volgende dag moest ik weer terug naar huis. Weer in het OV, de overprikkeling ging met me mee. 

De klap komt altijd later. Dinsdagmiddag begonnen de rillingen. Op slag werd ik verkouden en kreeg ik het gevoel dat ik koorts had. En pijn, knieën, heupen, schouders. Misselijk, moe. Ontzettend moe.

Vandaag is het vrijdag en nog steeds lig ik plat. Ik loop mijn rondje met Lewis, op pure eigenwijzigheid. Om daarna weer sierlijk neer te storten. 

En dan begint het échte gevecht. De vraag dringt zich op: als mijn lijf alles kan wat mijn brein gelooft, waarom voelt het dan alsof mijn lijf mij terugfluit? Ik gelóóf dat ik alles kan, maar ik kan het niet. Of geloof ik het niet, niet écht? En hoe zorg ik er dan voor dat ik het wél echt ga geloven? 

Houd mijn lichaam mij voor de gek of hou ik mijn lichaam voor het lapje?

Vragen die opkomen als je zoveel tijd hebt om na te denken. Ik ben al zo ver gekomen, en ik geloof ook oprecht dat ik uiteindelijk mijn aandoening de baas wordt, maar blijkbaar valt er nog iets te leren. Of misschien blijft het toch dat accepteren. 

‘What the mind believes, the body achieves.’

Het wordt mijn mantra, het komende jaar. 

Afrekenen met de overtuigingen die mij niet meer dienen. Geloven in mezelf. Ik zag een stukje van een interview met Conny Palmen (schrijfster). Zij vertelde overtuigd te zijn van de waarde van wat zij schrijft. Dat mag ik ook zijn! Weg met die onzekerheid. Weg met het aardig gevonden willen worden. 

Overtuigd zijn van mijn kunnen. 

Mijn boodschap telt. Ik tel. 

In 2026 wordt mijn brein mijn bondgenoot. Wat ik je brom. Want ‘what the mind believes…’.

In de hoofdrol

Je kunt besluiten de touwtjes los te willen laten, maar als je diep vanbinnen voelt dat je toch echt iets te melden hebt en iets wilt bereiken, is dat best lastig. Het gevoel dat ik heb, is het beste te omschrijven als een innerlijke drang. Een innerlijk moeten dat zich slecht laat negeren.

Het is voor mij vergelijkbaar met mijn schrijven: als de inspiratie er is, moeten de woorden het digitale papier vinden. Ik kán het niet onderdrukken.

De wereld verandert, logisch ook, de tijd gaat door, de wijzers van de klok tikken ongenadig verder. De wereld van nu is niet meer de wereld uit mijn jeugd. Foto’s laten dat zien, films nog meer. De kleding, de haarstijl. Ik liep als tiener rond met schoudervullingen en haar alsof er een vliegdekschip op mijn hoofd stond. De voorkant getoupeerd, de bovenkant plat. Tja, die kon ik niet zien en met mijn toen al wankele schouders kon ik er niet goed bij. Voor lange mensen moet het een bijzonder gezicht zijn geweest. Ik droeg een glimmend groen metallic trainingspak met LA Gears, van die lompe schoenen. Mijn toenmalige vriendje was een gabbertje.

Als je de foto’s terugziet, krijg je hetzelfde gevoel als wanneer ik naar foto’s van mijn ouders keek: mijn vader met een BeeGees-kapsel en mijn moeder in een ultrakort rokje. Onvoorstelbaar. Al loop ik zelf nog steeds het liefst in mijn trainingsbroek met een veel te grote trui. Alleen glimt die broek inmiddels niet meer.

Terug naar mijn oorspronkelijke punt.
De wereld is veranderd. Ons politieke systeem verandert niet mee. We doen ons best, we zien dat de organisatie die ‘de overheid’ heet niet meer goed functioneert, we signaleren het allemaal, maar verandering gaat ontzettend langzaam. Het is een groot, log schip dat te traag in beweging komt. Regeringen blijven beloven de steeds groter wordende problemen op te lossen, maar die problemen zijn allang boven hun hoofd gegroeid. Ver boven hun hoofd.

“Simpel,” denk ik dan weleens. Je moet mij even bellen. Maar de kans dat dat gebeurt is klein. Out-of-the-box denken is niet de sterkste kant van Den Haag. En dat is op zich ook logisch: ze groeien erin op. Van een figuurlijke puber met grootse ideeën tot volwassenen die gewend zijn dat dingen nu eenmaal gaan zoals ze gaan. Idealisten haken vroegtijdig af of worden afgeschoten tijdens verkiezingen. Te klein. Te weinig invloed. Te weinig inzicht. En als ze het redden, verandert het systeem hun dromen.

Gisteren reed ik met zoonlief mee naar de supermarkt (ja, ik ben zo’n curling-ouder die ‘het kind’ even brengt bij slecht weer). Terwijl ik zat te wachten, dacht ik na over het leven. Ik kwam tot een conclusie: het leven is één groot verhaal. Een soort sprookjesboek. Het is hoe je een leven wéegt, hoe je het bekijkt, vanuit welke kant je kijkt. Keuzes worden gemaakt vanuit een bepaald oogpunt.

Het maakt uit hoe je opgroeit, waar je naar school gaat, waar je geboren bent. En het gaat niet eens zozeer over geld, status of macht, het is hoe je hebt leren dénken dat het verschil maakt.

Ben je in staat de wereld van een afstandje te bekijken, of zit je vastgeroest midden in het verhaal? Dát maakt het verschil.

Je bent hier op aarde om jouw eigen verhaal te schrijven. Je wordt met een reden blanco geboren. Wat je misschien gekozen hebt als missie weet je niet meer; dat blaadje is gewist om het je later te laten herinneren. Tenminste, zo zie ik het.

Maakt ook niet uit. Je wordt blanco geboren en de wereld ligt voor je. Open. Groots. Je kunt doen wat jíj wilt. Zijn wie jíj wilt zijn. Dat is een keuze. Jouw keuze.

Ik zeg niet dat verandering makkelijk is of makkelijk zal zijn, maar het is wél mogelijk, als je het wílt.

En dan zijn we terug waar ik begon. Dat systeem dat we ontgroeid zijn. Het werkt niet meer voor ons. Het is tijd om de wereld te herzien. Te leren van wat we minder goed hebben aangepakt. Eerlijk te reflecteren. En het dan anders te doen. Kansen te bieden. Kinderen te leren zélf na te denken. Zelf keuzes te maken. Te leren van het verleden en te leven in het heden.

Ik zeg het vaker: ik ben een idealist. Maar ik weet dat mijn beeld van de wereld mogelijk is, als er maar genoeg mensen geloven dat het kán. Doe eens een grote stap achteruit en droom een verhaal. Het verhaal waarin jij de hoofdrol speelt.

Wat zou jij willen?
Hoe zou jouw ideale wereld eruitzien?

Stop met denken in oorlog en verdeeldheid. Zet het nieuws uit. Sla de krant eens over. Droom van een toekomst waarin we blij zijn. Waarin we samen leven.

En denk dan eens na over hoe je die wereld in kleine stappen zou kunnen bereiken. Keuze voor keuze.

Ons leven is slechts een verhaal.
Waarin wij de hoofdrol spelen.
Op onze eigen manier.

Foto credits Mirella de Jong

Touwtjes

Je kunt van alles willen, maar je hebt niet altijd alles zelf in de hand. 

Ik had als jonge moeder het idee altijd te blijven werken. Ik vond mijn werk leuk, mijn collega’s leuk en had de tijd in een andere omgeving, vol prikkels nodig. 

Dacht ik. Het leven dacht er anders over. 

Ik deed het een paar jaar, werken, naar school, eigen bedrijf opstarten, moeder zijn (iets te veel in die volgorde ook vind ik nu met terugwerkend inzicht). Ik had prikkels nodig. Druk. Dan was ik op mijn best. Dat ik keer op keer uitviel na een groot project, tja, dat was te danken aan mijn lastige en onvoorspelbare lijf. Dat eigenlijk niet eens zo heel onvoorspelbaar was, want ik kon op mijn vingers natellen wat stress en druk voor mijn lichaam betekenden. 

Ik wilde steeds meer, maar kon steeds minder.

Het leven had andere plannen met mij, ik moest mijn ambitie opzij zetten. Het duurde even (lees een paar jaar), maar het lukte. Voorzichtig accepteerde ik mijn aandoening en leerde ik ermee omgaan. Ik ging van overleven terug naar leven. Een korte wandeling, met Lewis naar buiten, weer wat boeken lezen, cursussen oppakken. 

Het kunnen vergrootte de wil en daarmee ontwaakte de ambitie. Die was niet weg, hij sliep. Hij was weggestopt achter één van de vele deurtjes waarachter ik ook de negatieve shit verberg. Maar dat wat je wegmoffelt komt altijd ergens weer boven.

Wat een waakvlammetje was, werd een laaiend vuur. Ik wilde alles en ik wilde het nú. De oplettende lezer ziet het, wilde, verleden tijd. Grootse plannen bleken een valse droom, raadslid worden. Ik wilde iets betekenen voor ons dorp. Al na een paar vergaderingen moest ik daar echter korte metten mee maken. Mijn lijf haakt af, bij druk, bij prikkels, bij het moeten dat niemand anders dan ikzelf mij opleg. 

Ambitie is mooi, luisteren naar mijn lijf is mooier. 

Na drieënvijftig jaar leer ik het, langzaam: voelen wat ík wil. En dat is niet doorgaan met overbelasten, hoe mooi het doel ook is. Dat is niet meedraaien in een systeem dat me langzaam leegzuigt. 

Ja, ik wil mijn stem laten horen, want ik heb een boodschap, maar dit is niet de manier. Dit is niet míjn manier. 

Beetje bij beetje vind ik mezelf, in de chaos die leven heet. Werk ik naar een toekomst waar ik écht uit de verf kom, zoals ik ben. Zonder druk. Zonder stress. Zonder systeem dat me verstrikt. En vooral zonder andere ambitie dan de juiste voor mij. Doen waar ík gelukkig van word. 

De weg daarnaartoe vindt mij, als ik de touwtjes los leer laten.

Proost

Waar ik ook kijk vandaag zie ik jouw naam. Ik zou willen zeggen dat ik je aanwezigheid voel, maar dat weet ik eigenlijk niet. Niet zeker in elk geval. Mijn rationele ik neemt het over op het moment dat ik kippenvel voel als ik aan je denk. Of je stem hoor in mijn hoofd.

Gek is dat, ik geloof zonder enige twijfel in leven na de dood. In een bewustzijn, waar we allemaal één zijn. In eeuwige liefde. En toch, als het om de manifestaties van datzelfde bewustzijn gaat doe ik de verschijnselen af als toeval. Of als: ik zal het wel verkeerd zien.

De veertjes die plots voor mijn voeten verschijnen als ik het universum of een specifiek persoon die over is gegaan vraag om een teken. Het gevoel, in mijn hart, dat ik als niets anders dan pure liefde kan omschrijven, als ik aan iemand denk die niet meer hier is, maar daar, aan die andere zijde. Kippenvel, de goede variant, dat over mijn ruggengraat kruipt. De regenboog die vorige week plots achter mij verscheen op het gordijn, waar het onmogelijk kon verschijnen.

En nu, nu voel ik jou. In alles, overweldigend. Juist nu. Juist vandaag.

Vijftig zou je worden. We lachten erom, toen ik vijftig werd. Het was voor jou nog een paar jaar verwijderd. Jaren die jou ingehaald hebben.

En nu vier je vast deze dag op jouw plek daar in de wolken. Op een bezemsteel scheer je langs de regenboog. Een wijntje in de ene hand en een groot stuk taart in de andere. Een grote lach op je gezicht, het gevecht op aarde achter je gelaten.

Vorig jaar was de eerste verjaardag zonder jou, nu is het de alweer tweede. Tijd vliegt net zo hard als die bezem van jou.

Proost lieve Mel, op jou.

En op het leven, dat geleefd moet worden. Soms met pijn in het hart, maar vaker met liefde. Met gelach en gekkigheid. En als de lampen vanavond knipperen, weet ik dat jij het bent.