Ongemakkelijke waarheid

Vanmorgen liep ik mijn rondje met Lewis, er zat een stukje park in mijn route. Op de hoek  bij de vijver stond een man, jongen meer eigenlijk. Kleurtje (zou niet uit moeten maken, maar doet het in dit huidige politieke klimaat wel), rugzak, fiets. Weifelende houding, ogenschijnlijk zenuwachtig heen en weer lopend, vooral langslopende vrouwen iets te lang volgend met zijn ogen. Ik werd aangesproken door twee andere wandelaars (met hond), dat ik hier op dit moment niet alleen met de hond zou moeten lopen. 

Klaarlichte dag, jongeman, angst. Moest ik bang zijn? Geen idee, ík voelde geen dreiging, maar wat weet ik er nu van? Ik ben nogal naïef van aard, wil graag het goede zien in mensen. De politie werd toch maar gebeld, voor de zekerheid. Geen spoed, maar wel een waarschuwing, het zekere voor het onzekere.

Ik denk dat de politie er druk mee is, momenteel. Waarschijnlijk is dat ook waarom ze mij aanspraken vanmorgen. De dood van een jong meisje hakt er bij iedereen zwaar in. Maakt mensen alert. 

Veiligheid van vrouwen vormt het gesprek van de dag, voor even dan, want ook deze aandacht zal vervagen. Zoals het dat al decennia doet. Ik denk dat vrouwen zich nog nooit echt veilig hebben gevoeld op straat, in de avond en in de nacht. Het duister biedt de perfecte schuilplaats voor dingen die het licht niet verdragen en dat is helaas niets nieuws.

Onveiligheid gaat om veel meer dan geweld, het is een gevoel. 

Nafluiten. Naschreeuwen. Een tik op je billen. Een kus waar je niet om vroeg.  Een onschuldige opmerking over het uiterlijk. Voor de ene vrouw voelt het als een compliment, of gewoon irritante afleiding, voor de ander voelt het bedreigend. Allemaal afhankelijk van de plaats, het tijdstip, de machtsverhouding en eerdere ervaringen. 

Het moment dat ik mij in mijn leven het meest geïntimideerd voelde door een man vond plaats op de werkvloer, bij het kopieerapparaat. Waar ik veilig had moeten zijn, gingen de handen van mijn toenmalige chef naar plaatsen waar ze niets te zoeken hadden. Mensen die je vertrouwt kunnen je ergste vijand blijken. Geweld naar vrouwen komt vaak uit de hoek van bekenden, van mensen van wie je het niet verwacht: vrienden, echtgenoten, collega’s. 

De me too beweging zette iets in gang, dachten we, maar ook die lijkt alweer vergeten. Opmerkingen ogen soms onschuldig, maar toch kan de dreiging daar al beginnen. Bij dat gevoel dat je niets meer bent dan een stel mooie benen. Een lustobject, voor mannen.

Hoe moeten jonge jongens leren dat het niet oké is om op die manier naar vrouwen te kijken als bladen waarin vrouwen precies zo geportretteerd worden gewoon in de supermarkt voor het grijpen liggen? Als videoclips en TikTok filmpjes hen constant verleiden met jonge bloedmooie vrouwen. In houdingen waar ik al een kleur van krijg?

Veiligheid voor vrouwen moet gaan over meer dan gekken die vrouwen fysiek belagen op straat. Veiligheid voor vrouwen moet ook gaan over veiligheid achter de voordeur. Over veiligheid op het werk, op school. Over hoe mannen met vrouwen omgaan én over hoe vrouwen omgaan met mannen. Het moet gaan over opvoeding, over normen en waarden. 

Het gaat al mis in de basis en daar moeten we eerlijk over durven zijn. Veiligheid gaat ook over taalgebruik. Over ogen die nét te lang blijven hangen op bepaalde plaatsen van het lichaam. En over weerbaarheid, over de verschillen in cultuur. 

Het gaat niet om incidenten, het is een patroon. Een patroon dat blijft bestaan. Misschien is dat wel de ongemakkelijke waarheid. Dat we allemaal opnieuw moeten leren kijken. Naar elkaar. Naar onszelf. Niet morgen. Nu.

Haat of liefde?

Hoe verenig je het beeld dat mannen hebben en krijgen van vrouwen met de manier waarop we met elkaar omgaan? Hoe zouden we met elkaar om moeten gaan? En in hoeverre wordt dat beeld gevormd door cultuur, door media en door verhalen die we continu herhalen?

Gisteren keek ik naar Gossip Girl. Ik schaar deze serie onder ‘dom vermaak’, gewoon kijken en vooral niet nadenken. Alleen vergeet ik vaak dat ik dat niet kan. Ik kan niet niet nadenken. Bij alles wat ik zie leg ik een linkje naar de werkelijkheid, zie ik paralellen met de samenleving. Zo ook hier. 

De nachtclubs, de schaarsgeklede vrouwen op torenhoge hakken. Vrouwen die zich met seksuele toespelingen ondergeschikt maken aan de man, of hun seksualiteit juist gebruiken om de man onder de duim te krijgen, of daar te houden. 

Als vrouw kun je het niet snel goed doen, als je gebruik maakt van je uiterlijk breng je anderen in verleiding. Mannen kijken je na, vrouwen ook, om een andere reden. Altijd moet je je bewust zijn van een grens, van de balans.

Hoe zijn we hier beland?

Televisie en media maken gretig gebruik van de schoonheid van de vrouw. Bij mannen gebeurt dat ook, maar dan vaker in een andere, bijna stijlvolle setting. Vrouwen worden harder en zichtbaarder afgerekend op hun uiterlijk. 

Wordt hier niet de basis gelegd voor hoe we in het dagelijks leven met elkaar omgaan? Hoeveel invloed heeft media op hoe mannen vrouwen zien en hoe vrouwen zichzelf zien?

In andere culturen worden vrouwen juist verborgen, achter lagen kleding. Ter bescherming van wie? Van henzelf? Of van de mannen die hen zouden kunnen zien? Hoe verenig je zulke tegengestelde werelden, zonder dat gesprekken meteen ontsporen in misverstanden en verwijten?

Soms vraag ik me af of de liefde van mannen voor vrouwen, en dan vooral voor vrouwen die ze niet persoonlijk kennen, gebaseerd is op liefde voor de vrouw zélf of vooral op de liefde voor haar uiterlijk en de rol die zij speelt?

Ik weet het niet. Wat ik wel weet, is dat we met z’n allen de wereld nodeloos ingewikkeld maken. En ik hoop dat we, door de juiste vragen te stellen, stukje bij beetje dichterbij elkaar komen.

Alle mannen?

Gisteren las ik een bericht over femicide: het opzettelijk doden van een vrouw vanwege haar geslacht. Schokkend en verdrietig. Vrouwen lopen meer risico om slachtoffer te worden van geweld. In het bericht stond dat in Nederland iedere acht dagen een vrouw wordt vermoord door een (ex-)partner, of doordat een man vindt dat de vrouw zijn bezit is.

Femicide is een harde realiteit, eentje waar we als samenleving niet omheen kunnen.

De reacties onder het bericht, ja, ik las ze weer, raakten me. In veel reacties werd gegeneraliseerd, werd iedere man van gedrag naar vrouwen beschuldigd dat niet door de beugel kan. Alsof elke man een potentiële dader is. En dat raakt me, als dochter, als echtgenote en als moeder. Ja, geweld tegen vrouwen is een groot maatschappelijk probleem. Maar je kunt niet acht miljoen mannen alvast veroordelen alleen maar omdat ze man zijn.

Polarisatie, je ziet het overal. De media helpt een flink handje door cijfers te presenteren op een manier die vooral angst en verontwaardiging oproept. Cijfers die puur bedoeld lijken om te shockeren. Het verkoopt, maar het zorgt er ook voor dat mensen lijnrecht tegenover elkaar komen te staan. De toon van het gesprek verandert, het verhardt en het werkelijke probleem blijft bestaan.

Het gevaar van ‘alle mannen’, is dat mensen die niets verkeerd doen zich in het nauw gedreven voelen. En wat gebeurt er dan? Ze haken af, terwijl juíst betrokkenheid nodig is. Als we willen dat er iets verandert, hebben we mannen én vrouwen nodig die het gesprek aangaan, die bewustzijn vergroten en die patronen doorbreken.

Femicide is ernstig. Geweld tegen vrouwen moet benoemd en bestreden worden. Maar laten we ook eerlijk zijn: niet iedere man is een dader. Het helpt ons verder als we ruimte laten voor nuance. Voor luisteren. Voor écht contact, in plaats van het elkaar bij voorbaat veroordelen.

Alleen dan maken we onze samenleving veiliger. Voor onze dochters. Voor onze zonen. Voor ons allemaal.

Meerderheidsbelang

Hoe kun je een mening geven, een oordeel vellen, over iets waar je niets van weet? Over iets dat je niet voelt en ook nooit gevoeld hebt? Hoe kun je weten wat er speelt in het hoofd van een ander? In het gevoel van een ander?

We denken te weten, maar we weten vaak niet(s), en toch geven we onze mening. Omdat dat kan, omdat we ergens iets van kunnen vinden, willen vinden. En ja, ook ik maak me daar vast weleens schuldig aan.

Mensen zouden moeten kunnen zijn wie ze zijn, zonder dat een ander daar ook maar iets van vindt. Mooi streven, maar daar zijn we helaas nog (lang) niet. Sterker nog, verworven vrijheden worden teruggehaald, teruggedraaid.

Het verleden vindt zijn weg terug in het heden. Zwaarbevochten rechten van vrouwen bijvoorbeeld, poef, met de streek van een pen verdwijnen ze terug naar de achtergrond. Door de ‘visie’ van een ander. Een ander die niet begrijpt, die niet weet en die verre van voelt. En wat te denken van de groeiende controverse rond transpersonen? Of het steeds verder in willen perken van het bestaansminimum van mensen met een handicap?

Waar de één de vrijheid zoekt in zelfexpressie, trekt de ander zich terug in een donkere hoek. Of zet een masker op om op te gaan in de menigte. Bang voor de schaduw van het oordeel. De één vecht, de ander schuilt. Verschuilt. En de meerderheid is zich van geen kwaad bewust.

Bewustwording is nodig, en bewustwording vergt aandacht. Zichtbaarheid. En precies dat, geeft weerstand, bij sommigen. Die niet weten. Niet hoeven voelen. En niet willen zien.

Als je niet leeft in de wereld van de minderheid, dan weet je niet. Dan zie je niet waarom die aandacht nodig is. En dan begrijp je het misschien ook niet. Dan vraag je je af waarom. Waarom de schijnwerpers? Waarom de extravagantie? Waarom steeds die aandacht op de verschillen?

En juist díe vragen zijn het antwoord. Als je niet opvalt, blijf je in de schaduw. Vang je nooit het licht. Blijft alles zoals het is. Minderheden verdienen dezelfde aandacht als meerderheden, dezelfde rechten. De enige manier om die aandacht te krijgen is door mensen op de verschillen te wijzen, in de hoop dat ze daarmee juist ook de overeenkomsten gaan zien. De overeenkomsten die ons allemaal mens maken. Die ons kleurrijk maken. Die ons verbinden.

Zullen we ooit zover komen, als maatschappij? Dat we de ander écht accepteren? Dat we niet meer kijken naar kleur, of gender, of wie we liefhebben? Dat we de mens zien achter de uiterlijke schijn? Er is nog heel wat werk aan de winkel. Meer aandacht nodig. Meer bewustwording vereist.

Wees dankbaar dat er ooit iemand heeft gevochten voor jouw vrijheid, zodat jij nu kunt zijn wie je bent. En laten we dan samen vechten voor de volgende, grotere meerderheid, die van het mens-zijn.

Dromen

Het spreekwoord kauwt het ons voor: ‘de meeste dromen zijn bedrog’. Maar wat als de droom zélf het bedrog is? Wat als de mythe van ‘hard werken’ mensen juist gevangen houdt in een illusie?

Het is tijd voor een ander verhaal, voor een andere waarheid. Voor een andere droom, die geen bedrog hoeft te zijn.

Amerika, hét grote voorbeeld voor velen, voor veel landen in onze westerse samenleving tenminste, met bluffen en opscheppen kun je het ver schoppen. Grote bek, nog grotere woorden, toegeschreeuwd door ‘de held’ van de natie (en lees dit laatste vooral met een gezonde dosis sarcasme). Het land waar álles draait om vrijheid, voor sommigen tenminste, want voor anderen is die vrijheid als een worst die ze voorgehouden wordt. Voorgehouden blijft worden. Een gezamenlijke droom, van rijkdom en welvaart. Zogenaamd bereikbaar voor iedereen. Als (en daar komt het addertje) je er maar hard voor werkt.

Die laatste zin is hier in Nederland jaren geleden al geadopteerd door onze eigen blauwe rakkers van de VVD. Hardwerkende mensen moeten beloond worden. Maar wie zijn die hardwerkende mensen eigenlijk? Waar zijn ze te vinden?

De ideale burger, voor de VVD althans, is een persoon die goed genoeg verdient voor een fijn en zelfredzaam leven, een persoon met een goede gezondheid. De burger waar je je geen zorgen om hoeft te maken (lees de burger die geen zorg af hoeft te nemen en daarmee dus geen geld kost). De burger die tevreden genoeg is om het huidige (falende) systeem niet ter discussie te stellen.

Zorgeloos dus. In vrijheid levend, zonder zich te hoeven bekommeren om de armere sloebers, daar onderaan de ladder.

Waarom komt er in mijn hoofd bij die laatste zin meteen een beeld boven uit Gooische vrouwen? Of van hockeyende mannen in the aftermatch. Polootje met de kraag omhoog en een (liefst witte) trui losjes om de schouders geslagen. Elkaar tevreden op die schouders meppend met een biertje in de hand. Broederschap. Ik kijk echt teveel naar Gossip Girl.

Not my cup of tea. Dit plaatje staat ver van mij af. Ontzettend ver. En niet alleen omdat ik de gezondheidszorg bakken met geld kost, want ook als gezonde medelander zou ik dit perfecte plaatje niet zien zitten.

‘Hardwerkende mensen’ zijn in mijn ogen mensen die niet mauwen maar poetsen, al vallen de poetsers hij onze blauwe vrinden buiten de boot. Zij verdienen niet genoeg centjes voor deze standaard. Ze mogen dan wel hard werken, vaak, maar er is toch een verschil tussen hard werken voor een hongerloontje en hard werken en genoeg verdienen om jezelf goed te kunnen bedruipen. Dat laatste vindt dan meestal niet direct plaats óp de werkvloer, maar eerder een verdieping daarboven. Op de hogere etage van de arbeidsmarkt.

Je zou deze uitspraak natuurlijk kunnen verwarren met jaloezie of afgunst, maar dat is het niet, al hopen bepaalde figuren waarschijnlijk wel dat mensen het zo zullen zien. Ik zal proberen mezelf iets duidelijker uit te drukken.

Ik ken heel veel hardwerkende mensen. Mensen die mij helpen bijvoorbeeld. Mensen die hun handen uit de mouwen steken, mijn huishouden runnen, me begeleiden, me helpen opstaan, soms letterlijk en soms figuurlijk.

Of mensen die werken in de zorg, die de billen wassen van de minder fortuinlijken onder ons, en dat minder fortuinlijk bedoel ik dan weer niet letterlijk, want pas als je iets mankeert, weet je wat échte rijkdom is. Dan wordt het harde werken een andere tak van sport, eentje vol extra drempels en hindernissen. Een situatie die het je uiterst lastig kan maken, zie maar eens iets gedaan te krijgen als je hoofd je in de steek laat en je bips letterlijk beurs is van het vele liggen. Dat spekt je financiële beurs niet echt, of echt niet zelfs.

De term ‘hard werken’ die de VVD ons voorhoudt is een lokkertje. Een manier om mensen te laten dénken dat ze met hard werken invloed kunnen uitoefenen op een welvarende toekomst, een toekomst vol dromen en idealen. Een bubbel die in Amerika tot in de puntjes is geperfectioneerd. De illusie dat iedereen de vrijheid heeft om zich te kunnen ontplooien, dat iedereen iets op kan bouwen. Als je maar hard werkt.

‘Werken moet lonen’ is een farce. Het betekent eigenlijk niets anders dan: ‘veel verdienen moet lonen’. En als je dat niet kunt, om welke reden dan ook, dan heb je pech. Dan heb je blijkbaar niet ‘hard genoeg gewerkt’, zelfs niet als je meerdere banen werkt en zo je hoofd boven water probeert te houden.

Mensen blijven (onbewust) geloven in de mythe van dat ‘harde werken’ omdat ze wíllen geloven dat ze een zekere mate van controle hebben op hun toekomst. Een falend systeem maakt dat je na moet denken over alternatieven en dat gooit alles waar je altijd in hebt geloofd overhoop. De mensen die het wél anders willen klinken soms weer wat moralistisch, de prijs van idealisme.

Natuurlijk mag succes beloond worden, maar het kan ook eerlijker. Succes is namelijk afhankelijk van zo veel meer factoren dan slechts hard werken. Succes is een team effort en als we dat inzien, kunnen we een eerste stap zetten richting een samenleving die successen kan vieren zonder dat het ten koste gaat van een ander.

De échte droom, dat is niet rijkdom, of welvaart. De échte droom is die samenleving waarin niemand buiten de boot valt, ook niet als je bips beurs is en je hoofd niet meewerkt.

‘Als we niet oppassen zoeken we allemaal naar een manier om gelijk te krijgen…’

Vanmorgen, een Instagram bericht van Kukuru van Giel Beelen over het verschil tussen geloof en spiritualiteit, met deze zin als afsluiter. Laat hem even goed tot je doordringen en denk dan aan reacties die je zelf geeft, maakt niet uit op welk front of onderwerp.

Deze is raak. Deze veroorzaakt ruzies, op kleine schaal en oorlogen, op grotere schaal. Het is een zin die je eigenlijk op moet schrijven en bij je moet houden, als een ijkpunt. Iets om jezelf af te vragen als je voor je echt nadenkt je mond opentrekt. De meeste dingen gaan niet om waarheid (die toch niet bestaat), of om wat beter is voor anderen. De meeste dingen gaan om ego, om wat het beste past in jouw zienswijze. En gaan daarmee over het proberen te overtuigen van de ander.

De intentie is niet direct verkeerd, meestal niet tenminste. De intentie kan bescherming zijn, een gevoel dat de ander een verkeerde keuze maakt, maar het mooie van ons hele leven is juist dat iedereen zoekt naar de beste oplossing of het beste antwoord voor de eigen te leren lessen. En het antwoord van die ander is niet gelijk aan het antwoord dat je zelf zoekt of zocht. Als we allemaal hetzelfde zouden denken zouden we vervallen tot een saaie, kleurloze grijze massa. Dan kan niemand bloeien, niemand groeien. De verschillen zijn juist zo mooi. De verschillen maken de wereld interessant. Kleurrijk.

Weet je wat eigenlijk zo apart is, dat sommige wereldleiders het communisme verfoeien en tegelijk eigenlijk zelf het hardst lijken te neigen naar die grijze massa, met zichzelf als lichtend voorbeeld daarbovenuit stekend, dat dan weer wel. Zij zien het, zij weten het, zij zullen het de rest wel even vertellen. Zij zullen wel even hun gelijk halen. Hun ego schreeuwt over de rug van de massa. En de massa gaat erin mee. Niet gelovend in hun eigen waarheid, maar die aan de kant schuivend voor de ander.

‘Als we niet oppassen zoeken we allemaal naar een manier om gelijk te krijgen.’ En vergeten we in ons eigen coconnetje dat onze waarheid niet gelijkstaat aan dé waarheid. Willen we slechts het gelijk aan onze kant hebben. Ik ga hem opschrijven, en proberen deze mee te nemen in keuzes die ertoe doen. Om mezelf te toetsen. Want ik hoef niet te overtuigen, ik probeer slechts iemand na te laten denken en diegene vervolgens de eigen mening te laten vormen. En dat iets heel iets anders.

Herdenken…

Ik heb niet zoveel met de dagen waarop iemand stierf, ik herinner me liever de dagen dat ze er waren. Momenten samen, stemmen, gezichten. Een lach, als een foto in mijn hart, zo voelt het. Ik kijk vaak naar de lucht, op zoek naar een teken, dat het bewustzijn voorleeft als de dood ons inhaalt. Soms vind ik het, vaker niet, maar ieder moment van denken aan is als een groet. Een omhelzing uit de hemel.

Ik heb niet zoveel met de dagen van de dood, en toch blijven ze je bij. Sommigen meer dan anderen. Gisteren is het alweer een jaar geleden dat mijn vriendin stierf. Een jaar, voorbij gevlogen. Er ging geen dag voorbij zonder dat ik even aan haar dacht, even naar de lucht keek, haar even groette. Meer contact na de dood dan in het laatste jaar van haar leven. Wat zegt dat? Niets. Liefde is en liefde blijft. Met of zonder contact. Jemig wat vliegt de tijd.

En dan vandaag. Alweer 11 jaar geleden dat ze in dat vliegtuig stapten. Ik vraag me soms af hoe dat ging, hoe die laatste bewuste minuten gevoeld moeten hebben als een eeuwigheid. Tijd is relatief. Gemis ook, geen regels, geen woorden, alleen gevoel.

En dus, ook al heb ik er niks mee, met die datum van verlies, ik sta er toch bij stil. Even zijn ze er weer, even lig ik weer bij Rob op de bank, onder het apparaat dat me mijn spierkracht hielp behouden. Ik in de ene kamer, mijn vriendin in de kamer ernaast. Onze vriendschap bestond nog niet, al was er op precies dat moment zijn conclusie, jullie zijn zo verschillend, maar ook zo hetzelfde. Ons eerste echte gesprek was daar, nog gescheiden door een muur van wederzijds onbegrip, dat langzaam vervaagde en opgevolgd werd door een vreemd soort verstandhouding. Een vriendschap, twee personen zo verschillend, maar ook zo gelijk.

tijd verstrijkt
onverbiddelijk
blijft ze gaan

soms kruipt ze
om vervolgens
op de vlucht te slaan

en dan ineens
volkomen onverwacht
volledig stil te blijven staan

Vrijheid vraagt om meer dan regels

Een column, een brief. Een missie, een oproep. Een schrijven vol hoop in een wereld vol chaos.

Een brief aan een land, een samenleving. Een brief aan jou, mens met een sociaal geweten en een open hart.

Ik schrijf je, als iemand die aan de zijlijn leeft, en tegelijk vol in het leven staat. Als burger, als moeder, als mens met een kwetsbaar lichaam, maar met een scherpe geest. Als iemand die al jaren kijkt, voelt, luistert en die steeds vaker denkt: waar zijn we in vredesnaam mee bezig?

Ik zie mensen die leven in angst, voor oorlog en migratie, voor klimaat en bestaanszekerheid. Angst voor het leven zelf zelfs, soms. Angst voor verantwoordelijkheid, voor het nemen daarvan. Angst voor elkaar. Angst voor regels en angst voor het uitpakken van die regels. Angst voor controle en angst voor vrijheid.

Vrijheid is niet makkelijk, vrijheid vraagt om lef. Vrijheid vereist zelf nadenken, zelf voelen, zelf kiezen. En dat zie ik verdwijnen onder een deken van regels, van formulieren, van meldcodes en van toezicht, van normen en van systemen. Van hokjes, waar geen ontkomen meer aan is.

In onze drang iedereen te beschermen lijken we te zijn vergeten dat vrijheid ook bescherming verdient. Dat veiligheid geen kooi moet zijn maar een springplank. Een springplank naar vertrouwen.

Ik zie een overheid die zo bang is voor misbruik dat ze gebruik tegenwerkt. Ik zie en hoor burgers die zich niet gehoord voelen en om het hardste schreeuwen. Of afhaken, of buigen voor stemmen die zaken zo ongecompliceerd voorstellen, maar zo verdeeld maken.

Ik zie linkse partijen (daar waar mijn hoop nog steeds ligt) worstelen met hun eigen gelijk. Te beleidsmatig, te ingewikkeld, te ver af van wat mensen écht voelen, onmacht. Ze verliezen hun grip op de wereld.

Mijn zorgen komen voort uit hoop, want ik geloof nog altijd dat we iets kunnen veranderen. Ik geloof in een samenleving waarin de overheid naast mensen staat en niet erboven. Ik geloof in een samenleving waarin vrijheid geen privilege is maar een voorwaarde voor persoonlijke groei. Waarin veiligheid geen excuus is om te controleren maar een reden om te vertrouwen. En waarin mensen gestimuleerd worden om zélf na te denken, te voelen en te doen. Met steun, maar zonder ze te betuttelen.

Ik vraag jullie, durven jullie nog te dromen? Niet in abstracte beleidsnota’s maar in gewone mensentaal? In gedeelde verhalen waarin mensen zichzelf herkennen? Als meer dan slechts een doelgroep of een kiezersprofiel?

Als je echt wilt verbinden dan moet je durven luisteren met je hart. Durven spreken met moed. Niet controleren maar mensen verleiden tot het nemen van hun verantwoordelijkheid. Niet polariseren maar ruimte maken voor twijfels, voor de dialoog.

Ik zoek geen leiders die alles weten, ik zoek vertegenwoordigers die durven zoeken. Die toe durven te geven dat ze het zelf ook niet weten. Maar die wel kiezen voor vertrouwen, dat we er samen uit kunnen komen. Die kiezen voor perspectieven, voor mogelijkheden en niet de schuld bij anderen leggen. Die kiezen voor een land waarin vrijheid en zorg geen tegenstelling zijn, maar elkaar in evenwicht houden.

Ik ben een kleine stem, maar veel kleine stemmen kunnen samen een storm vormen.

Dit is mijn stem en ik hoop dat die gehoord wordt!

Het zal zo’n vaart niet lopen?

Ik deelde een stukje op mijn tijdlijn over het gevaar dat schuilt in wat er momenteel gaande is in Den Haag. De zorgen die ik heb over de verharding van de maatschappij, over de steeds grotere verschuiving naar rechts, naar vreemdelingenhaat.

Regeltjes, regeltjes die mensen andere mensen laat verklikken (gaat er al een belletje rinkelen?). Ik had gehoopt dat we dit soort ideeën nooit meer terug zouden zien, maar blijkbaar haalt men graag inspiratie uit het verleden, hoe fout ook. Hoe lang duurt het voor ze de hele ideologie en idiotie van bepaalde ‘grote leiders’ weer van stal halen?

‘Het zal zo’n vaart wel niet lopen’, dat is het antwoord van mensen. ‘De bedoeling is goed’, alsof je met goede bedoelingen geen kwaad kunt doen.

Misschien komt het meeste kwaad wel bij welwillende mensen vandaan, de meeste rampen in het verleden begonnen ook met goede bedoelingen. Als je niet weet wat je aanricht zijn die bedoelingen echter weinig waard. Herinner je je de toeslagenaffaire? Ook die begon met goede bedoelingen.

Kliklijnen. Het idee alleen al. Wist je dat in steeds meer gemeentes kliklijnen al ingezet worden om vermoedelijke pgb fraude te bestrijden? Of om mensen met een uitkering een oor aan te naaien? Mensen die geen idee hebben hoe de vork écht in de steel zit verklikken buren, vrienden of familieleden omdat ze denken dat ze dat wel weten, hoe het zit. Ze gaan er bij voorbaat van uit dat mensen misbruik maken van het systeem. Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten. Wist je dat driekwart van die meldingen ongegrond blijkt te zijn? Weet je wat dat onderzoeken van zo’n mogelijke fraude met die mensen doet? De onzekerheid? Dat gevoel dat mensen je niet vertrouwen? Het maakt mensen kapot, kijk wederom maar naar de toeslagenaffaire.

Kliklijnen zijn bedoeld om mensen tegen elkaar op te zetten. Om wantrouwen te stimuleren. Gaat er al een kwartje vallen?

Een bekende strategie werkt op het principe van verdeeldheid. Verdeel en heers, verdeel de mensen in wij en zij, bouw op hun angsten, hun onzekerheden. Blijf vooral weg van vertrouwen, want stel je toch eens voor dat mensen elkaar zouden vertrouwen, dan valt er niets meer te halen. Richt je op de verschillen, bouw erop. Bouw het uit. Gebruik de crisissen waar je mee te maken hebt en zet ze in voor je eigen gewin.

Het gaat niet om het oplossen van de crisis, het achterliggende doel is simpel, macht.

‘Zo’n vaart zal het wel niet lopen’. Nee? Het gebeurt al. De pandemie uit 2020 heeft de deur wagenwijd opengezet en nu wordt er voortgebouwd op die basis. Partijen, rechtse, populistische partijen, verleggen heel slim de aandacht van hun eigen falende beleid. Van een assielbeleid dat niet deugd, van de woningnood, de armoedeproblematiek. De verantwoordelijken hiervoor houden ze heel geraffineerd buiten beeld.

Beleid als de kliklijn creëert een illusie van daadkracht, zonder de oorzaak aan te pakken. En de kiezers zien het niet.

Mensen die elkaar wantrouwen zijn minder geneigd zich te verbinden en in opstand te komen. Mensen die de dupe zijn van het wantrouwende beleid moeten zich verdedigen, doordat de publieke opinie zich tegen hen keert. Het wantrouwen , de polarisatie en de sociale onrust nemen alleen maar toe.

Dit soort beleid biedt geen oplossing. Nooit. Het verdeelt de samenleving alleen maar meer, tot de mensen murw geslagen zijn. En dat gebeurt. Recht onder onze neus.

Mensen, denk na. Er zijn beleidsmakers, politici die gebaat zijn bij wat er nu gebeurt. Vraag je eens af wie er iets te winnen heeft. Jij niet, dat is zeker.

Als je het eenmaal ziet…

Ik verander. Mijn gedachtengang verandert en als je kijk op de wereld verandert, kun je bepaalde dingen niet meer niet zien. Is dat wat men bedoelt met wakker worden?

Ik ga proberen mijn gedachten te vangen in woorden en dat is best lastig. In mijn hoofd is het zo klaar als een klontje. Ik begrijp niet meer hoe ik dit nooit eerder gezien heb en toch denkt het overgrote deel van de mensheid hetzelfde als ik dacht. Tijd om daar verandering in te brengen. Tijd om die oude gedachten los te laten en de wereld anders te bezien. Tijd om daadwerkelijk te groeien, als mensheid. En daarmee de weg in te slaan om mensen te laten bloeien, daadwerkelijk te laten bloeien.

Laat ik beginnen met een vraag. Waarom denken we (mensen) dat persoonlijk gewin altijd ten koste moet gaan van iets of iemand anders? Hoe komen we aan het idee dat er nooit genoeg is voor iedereen? Waarom denken we dat als iemand iets wint, een ander verliest?

Ik betrap mezelf er ook op, best vaak eigenlijk. De gedachte dat alles een optelsom is, een onzichtbare rekensom die zelden klopt, maar zich eindeloos blijft herhalen. In mijn hoofd. Als ik rust neem ben ik niet productief. Als een ander constant de aandacht krijgt, verdwijn ik naar de achtergrond. Tel ik niet meer mee. Als een ander iets krijgt, verlies ik het. Het zit diep in ons systeem. Vastgeroest.

Waar komt deze gedachtegang eigenlijk vandaan?

We leven in een maatschappij die draait op vergelijken. Op verdelen, en wel zo efficiënt mogelijk. Druk zijn is goed. Rust is luxe. Succes moet je verdienen, falen kost geld. Het verhaal van schaarste begint hier, en wordt eindeloos herhaald.

Dit denkpatroon zit diep, het is een oud en continu herhalend verhaal. Een verhaal van schaarste. We groeien op met de gedachte dat er niet genoeg is voor iedereen. Niet genoeg tijd, niet genoeg aandacht, niet genoeg geld. Niet genoeg ruimte voor wie jij bent. We leren al op jonge leeftijd dat we moeten concurreren, in plaats van ons te verbinden. We leren dat we moeten vechten voor onze plek, in plaats van samen op zoek te gaan naar de ruimte.

Onze hersenen zijn gericht op overleven, niet op geluk. In tijden van echte schaarste, eten, veiligheid, bescherming, was waakzaamheid en alertheid een must. Wie op tijd pakte wat hij pakken kon had nu eenmaal een grotere kans om te overleven, die reflex leeft nog steeds in ons systeem. Maar we leven in een andere wereld. We leven nu in een wereld waar delen en samenwerken ons juist sterker maken.

Veel systemen waarmee we leven, zorg, onderwijs, politiek, zijn gericht op verdeling in plaats van op verbinding. Als jij hulp krijgt, krijgt een ander het niet. Als jij opvalt, mag ik niet teveel zijn. Dit denken vreet zich een weg in onze relaties, in ons werk, in ons zelfbeeld. En dat kan zo anders!

Wat nou als we stoppen met denken in óf-óf, en zouden durven kiezen voor én-én?

Wat als we niet uitgaan van tekorten, maar van overvloed? Liefde wordt niet minder als je het deelt. Aandacht ook niet. Echte zorg groeit als er ruimte is voor iedereen. Rust nemen is geen verlies, maar een investering. In jezelf. In de ander. En in wat er daarna weer mag ontstaan.

We hebben hierin meer invloed dan we denken.

En precies daar schuurt het ook voor mij. Mijn linkse hart gelooft in het belang van vangnetten. Maar soms zie ik ook hoe juist die systemen mensen vastzetten in hun onvermogen, in plaats van hen te herinneren aan hun kracht.

De grote verandering moet denk ik zitten in onze opvoeding. We moeten onze kinderen leren dat ze niet hoeven te concurreren, dat het één niet ten koste gaat van het ander. Als onze kinderen geloven in zichzelf, in hun eigen kracht in plaats van te twijfelen aan hun kunnen, als ze daarmee leren anderen hun succes te gunnen, dan verandert de wereld. Beetje bij beetje, generatie bij generatie.

Uiteindelijk begint die verandering bij jezelf. In jezelf. In jouw gedachtengang.

Durf te leven.
Durf te geven.
Durf contrasten te beleven.

Durf te denken in overvloed.
Dat er genoeg is.
Dat jij genoeg bent.

En dat wij samen meer zijn dan alleen.