Vertrouwen 

Chronisch ziek zijn kan soms best eenzaam voelen. Je omgeving begrijpt je niet altijd. Hoe kunnen ze ook, zij voelen niet wat jij voelt. Je kansen lijken af te nemen. Je lijf lijkt je leven over te nemen. 

Altijd maar rekening houden met…

Gisteren deelde ik een knuffel met een lotgenoot. We dronken een bakkie thee en spraken over gedeelde zorgen. Maar we spraken ook over de mooie dingen die je blikveld binnenkomen, als je dat toelaat. 

Leven met een (chronische) aandoening maakt dat je anders naar het leven gaat kijken. 

Dat anders kijken kan ook meerdere kanten op trouwens. Ik heb geleerd te kijken met een enorme dankbaarheid. En nu wil iets in mij zeggen dat ik geluk heb gehad. Maar ik corrigeer mijzelf direct. Want de waarheid (mijn waarheid) is dat ík het aandurfde om de wereld anders te bekijken. 

En dát was het begin van een ander leven.

Het ging niet van het ene op het andere moment. Het kostte tijd en energie en ja, het was ook hard werken. Maar ik durfde het wél aan. 

Ik durfde te gaan luisteren naar mijn lijf. In plaats van de pijn te negeren of te verdoven, zoals ik gewend was, ging ik hem voelen. Echt voelen. Ook al voelde ik vaak liever niet. Ik durfde de rust te nemen als mijn lijf daarom vroeg en ik durfde nee te zeggen. Ook wanneer ik liever ja wilde. FOMO is mij niet onbekend.

Gisteren deelde ik een knuffel met een lotgenoot die op bepaalde manieren eenzelfde pad loopt. Een pad dat eenzaam kan voelen, omdat het vaak lijkt alsof niemand je echt begrijpt. En dan is daar ineens iemand die datzelfde voelt. Die de angst begrijpt die je hebt voor de toekomst, van jezelf en van je kind. Die een deel van jouw pad heeft gelopen en daar, met wat kleerscheuren en een hele lading ervaring, toch oké is doorgekomen. 

En dat biedt hoop. Gedeelde hoop.

En ja, hoop kan ook spannend zijn. Stel nou dat het voor jou minder goed uitpakt? Maar angst voor wat kán zijn verlamt. En teleurstelling voor die andere verwachting hebben we eerder doorstaan. Dat kunnen we aan.

Dus kies ik tegenwoordig voor hoop. Nee, ik kies voor vertrouwen.

Ik durf het aan! Ik leef met mijn mogelijkheden. Ik zie ze. Ik pak die kansen. 

En ik deel mijn succes, laat anderen meedelen in de vreugde, want ook dat kan hoop bieden. Als je het wilt zien. 

Ik laat de verwachtingen los en zie wel wat mijn pad me te bieden heeft. En ik hoop dat ik anderen mag inspireren datzelfde te doen!

Tussen wal en schip

Gisteren vond er een soort aardverschuiving plaats binnen onze patiëntengroep. Een revalidatiearts, ook mijn revalidatiearts, heeft zijn praktijk gesloten. Niet omdat hij een andere uitdaging heeft, of omdat hij geen zin meer heeft in onze laten we zeggen uitdagende ups en downs, maar omdat het werken hem zo goed als onmogelijk wordt gemaakt.

Zorgelijk.

De EDS zorg in Nederland is in slechte staat. Toen ik een jaar of vijftien geleden op zoek ging naar wat mij nou eigenlijk mankeerde liep ik tegen behoorlijk wat dichte deuren aan. Artsen hadden geen idee en toen we een idee kregen was daar niemand die het kon bevestigen. Ik heb verschillende specialisten gezien, van reumatoloog tot orthopeed en neuroloog.

Niemand verbond de punten.

Ik ging met een vermoedelijke diagnose een revalidatietraject in, waar ik beroerder uitkwam dan inging.

Geen onwil.
Wel onwetendheid.

En nu gaan we met de zorg voor EDS, specifiek mijn hypermobiele type, terug die kant op.

De vereniging voor revalidatieartsen heeft besloten dat revalidatieartsen niet langer deze diagnose mogen stellen. En dat zij geen langdurige controles meer mogen doen bij deze patiënten. Juist van een beroepsvereniging zou je verwachten dat ze ruimte laten voor specialistische kennis bij dit soort complexe aandoeningen.

Mijn specialist was gespecialiseerd in mijn aandoening. Eén van de twee specialisten op dit gebied.

De eerste arts die me écht begreep. De eerste arts waar ik mij écht gehoord voelde (buiten mijn huisarts, want die hoort mij gelukkig ook), waar ik op niveau mee kon sparren, over wat ik dacht dat zou kunnen werken en ook wat niet. Onderbouwd door zijn kunde en mijn ervaring vond ik de weg naar boven.

Waar ik op het revalidatiecentrum vooral daalde, mocht ik hier klimmen.

Waar mijn zorgverzekeraar ervoor zorgde dat deze zorg niet meer vergoed werd, zorgt de beroepsvereniging er nu voor dat een goede specialist de handdoek in de ring gooit.

Voor mij als patiënt voelt het inmiddels steeds meer als ontmoedigingsbeleid.

Het was slecht gesteld met de zorg voor mijn aandoening. Dit brengt ons met een beetje pech weer terug bij af.

Ik red mij wel. Dat is althans mijn overtuiging. Mijn ervaring van de afgelopen jaren en de kundige hulp van o.a. deze arts hebben mij de juiste handvatten gegeven.

Maar ik hou mijn hart vast voor hen die nog zoekend zijn…

Een ode aan BumbleBee

Ik kan het wel van de daken schreeuwen, hoe blij ik ben met Bumblebee. Deze stoel verdient een ode. Dus bij deze…

Ik heb hem (tja, ik noem alle dingen standaard hem) nu een maand of vier en gisteren kregen we (als duo) onze vuurdoop in het bos. Verder hebben we vooral geoefend rondom huis, park en dorp. Steeds een beetje verder.

Het kostte tijd. Om mijn lijf te laten wennen aan het actieve zitten. De eerste keren had ik spierpijn, maar ik merk nu al dat mijn rompbalans verbetert. Dat ik mezelf beter omhoog kan houden. Rechterop zit. De zenuwpijn in mijn benen wordt hier minder door.

In het begin had ik wat last van pijn tussen mijn schouderbladen, maar ook dit gaat steeds beter. Ik kan steeds een stukje verder. Mijn nek kan zich beter voorbereiden op de ‘klappen’ van de scheve stoeptegels. Iets waar ik in de elro ontzettend veel last van had.

De instabiliteit werd erger met mijn inactieve leven.

Het is en blijft zoeken. Mijn lijf is gebaat bij een strak spiercorset, maar hoe train je als je zo snel overbelast?

Voor mij heeft Bumblebee hier invloed op. Het is eigenlijk bizar dat ik hier niet over durfde te schrijven. Uit angst voor de mening van anderen. Iets dat ik steeds meer los durf te laten.

Vind wat je vindt…
ik heb daar toch geen invloed op.

Ik hoop dat deze stoelen voor meer mensen bereikbaar worden. Ik heb geen seconde spijt dat ik deze sprong heb gewaagd.

Ik reed in het bos!
Echt in het bos.

Niet op een gebaand pad tussen de fietsers, maar gewoon op een smal paadje met wandelaars. De eerste iets steilere afdaling was spannend, net als het eerste mulle zand, maar hij blijkt een sterke kanjer.

En samen vinden we onze balans.
Letterlijk.

Nooit eerder voelde ik mij zo vrij.
Dus bij deze, een ode aan Bumblebee, en aan mij 😉

MOHS

Vandaag weer een nieuwe ervaring. Ik had voor de zoveelste keer een fout plekje, maar nu in mijn gezicht. Dat is toch wat anders dan op je boven- of onderlijf. De vorige keer hield ik er een behoorlijk lelijk litteken aan over. Alsof kapitein Haak me te pakken had gehad. Dat leek me geen goed plan in mijn gezicht.

In het gezicht doen ze tegenwoordig MOHS-chirurgie. Dat betekent dat de wond open blijft totdat ze de uitslag hebben. Als er nog meer weggehaald moet worden, roepen ze je terug. Ik had geluk: ze hadden alles in één keer te pakken en na anderhalf uur mocht ik weer naar huis.

In de loop der jaren heb ik een angst ontwikkeld voor alleen reizen. Het OV roept paniekaanvallen op. Dit was het moment om daar iets mee te doen. Ik hoefde niet ver te lopen, kon met de auto naar het station en het ziekenhuis ligt naast het andere station. Dat moest lukken.

Gisteravond sloop de angst er toch in. Het is niet rationeel te verklaren. En toch gebeurt het. Overkomt het je. Maar alle meditatieoefeningen van het afgelopen jaar hebben geholpen. Ik heb het gedaan. En daar ben ik best trots op.

Weer een stukje vrijheid herwonnen.
Winst kan ook zitten in een stukje verliezen…


Ik wil ook nog even kort het woord richten tot mijn buurvrouw in de wachtkamer. Sommige ontmoetingen hebben een reden. Dit was er zo één. Een mooi gesprek, met haar en haar zoon. Ik wens haar (of jullie, als je dit leest) alle goeds. Wie weet komen we elkaar nog eens tegen.

Een pleister gaf me mijn leven terug

Ik was 39 toen mijn lichaam besloot dat het genoeg was geweest. Tenminste, zo voelde het.

Een hernia-operatie, met daarna een revalidatieschema dat ik tot op de letter volgde. Ik deed precies wat de artsen zeiden. Toch ontwikkelde ik littekenweefsel. Ik luisterde naar fysiotherapeuten, bezocht specialisten, volgde een revalidatietraject.

Het ging niet beter. Het werd erger.

Mijn lijf werd een medisch puzzelboek. 

De gewrichten. De rug. Het hart. De longen. De darmen. De huid. 

Iedereen keek naar zijn eigen stukje. Niemand keek naar het geheel. 

Ik worstelde met hernia’s, met slijtage, ontstekingen, kreeg levensbedreigende longproblemen. Mijn autonome systeem sloeg volledig op hol. Ik kreeg hartkloppingen en mijn temperatuur was compleet van het padje. 

Diagnose na diagnose. 

Maar wat heb je daaraan als de hoofdoorzaak gemist wordt?

Er kwam een bed in de woonkamer en ik kwam erin. Dagen, weken, jaren. Ik lag op mijn slechtste jaren drieëntwintig uur per dag. Als ik overeind kwam, rolde ik elektrisch. 

Op een gegeven moment was ik niet meer benaderbaar. Ik hoorde nog wel, maar kon niet meer reageren op het gesprek. Complete shutdown van mijn systeem. Als ik het zo teruglees kan ik het me niet eens meer voorstellen. Gelukkig maar.

Dat was het moment dat er hulp kwam. Ik kon niets meer zelf. Er werd voor me gekookt, mijn haar werd gewassen. Ik lag erbij en keek ernaar. Hulpeloos misschien, niet hopeloos. Ik heb altijd geloofd dat het beter zou worden. Beter zou gaan. En anders, ach veel beroerder kon het niet, zo redeneerde ik. Ik heb mijn vertrouwen behouden en mijn humor ook.

De omslag kwam niet met een miraculeuze nieuwe therapie, en ook niet met een operatie. De écht grote omslag kwam met een pleister. Een hormoonpleister.

Achteraf bleek mijn lichaam terecht te zijn gekomen in een perfecte storm.

Er was bindweefselproblematiek (EDS). Er was een operatie met littekenweefsel. Er was overrevalidatie. Daarna immobiliteit. 

En precies in die periode begon ook de perimenopauze. Met al zijn hormonale chaos. 

Hormonen speelden een grote rol in dit geheel. Hormoontherapie werd uitgesloten door mijn verleden met longembolieën, maar bleek uiteindelijk de sleutel tot verbetering. Ik ontdekte dat hormonen veel meer doen dan je cyclus regelen, ze regelen ook je temperatuur, je hartslag, je hersenen en je energieniveau. Soms regelen ze je hele systeem en een gebrek eraan kan datzelfde systeem ook compleet ontregelen. 

Zeker als je kampt met bindweefselproblematiek en dysautonomie.

Toen ik startte met bioidentieke hormonen bleek herstel wonder boven wonder mogelijk. De hersenmist trok op, mijn energie kwam terug. Er bleek weer spieropbouw mogelijk, ik kon weer oefeningen doen en na veel vallen en opstaan zelfs weer meer lopen. Ik mocht weer leven in de echte wereld. 

Ik kreeg een deel van mijn leven terug…

Als ik vrouwen in eenzelfde situatie één ding mee mag geven dan is dat dit: 

Als je lichaam tussen de dertig en de veertig ineens ontspoort, dan ben je niet gek. 

En je bent zeker niet alleen.

Duik erin. Zoek het uit. Kom voor jezelf op. 

Hormonen hebben meer invloed op je systeem dan je denkt. Soms op je hele leven.

Vrijheid 

Ik heb BumbleBee, mijn nieuwe rolstoel, nu twee maanden en de afgelopen dagen heb ik hem eens flink uitgeprobeerd. Met succes kan ik wel zeggen. Nooit eerder ervaarde ik zoveel vrijheid in een rolstoel. En dat geeft me een behoorlijk dubbel gevoel.

Wat overheerst is een enorm gevoel van dankbaarheid. Dat degene die uiteindelijk de beslissing nam mij begreep. Voelde hoe deze stoel echt bij míj zou passen. 

Ik overdrijf niet als ik dit schrijf. De mensen die me met een grote grijns rond zien rijden kunnen dat beamen. Nooit eerder voelde ik mij als roller zo. Vrij. Om te doen wat ik wil, om te gaan waar ik wil gaan. Onbegrensd, bijna. 

Ik leer eindelijk los te laten wat anderen vinden, maar heel eerlijk, het helpt dat de meeste mensen me nu nakijken met een blik die bijna grenst aan een soort van jaloezie. Gisteren werd ik aangesproken door een jochie van een jaar of vijf, hij had nog nooit zo’n coole stoel gezien zei hij. Ik kon niet anders dan het met hem eens zijn.

Ik riep dat ik mijn elektrische rolstoel niet erg vond. Maar heel eerlijk? Ik voel me nu zoveel beter. Op ieder front.

Ik realiseer me dat ik geluk heb, dat ik vooruit kon gaan. Maar ik heb er hard voor gewerkt. Fysiek én mentaal. 

Ik heb van alles geprobeerd. Met succes, gelukkig. En er valt nog veel meer te behalen, dat voel ik. Anders denken, gelóven dat iets kan. Geloven in vooruitgang, in mogelijkheden. 

Eén van die mogelijkheden was deze stoel. Het leek onmogelijk, maar ik voelde dat het kon. En dat gevoel gun ik iedereen. Geloof dat het kan, hoe ver weg het ook lijkt. 

Vijf jaar geleden durfde ik er amper van te dromen.

Nu rijd ik er gewoon naartoe.

Niet langer klein

Gisteren mocht ik mijn officiële boekpresentatie houden. Dat klinkt stukken groter als dat het was en tegelijk was (en is) het groots. Voor mij.

Dat vergt misschien enige uitleg.

Ik heb vijf boeken geschreven en ook uitgebracht. Alles in eigen beheer. Twee dichtbundels en drie boeken die geen standaard boeken zijn (geen roman), maar een verzameling van columns, gedichten en foto’s. Drie boeken, waarvan de laatste twee echt voelen als ík.

Alles deed ik zelf: tekst, vormgeving, het drukproces. Ik geef weinig uit handen, hou zelf heel graag de controle. Een valkuil.

Geen van mijn eerdere boeken had een boekpresentatie. Altijd was er wel een excuus: van geen tijd of geen energie tot corona. Uitstel is mijn beste vriend. En van uitstel komt ook meestal afstel. Dat dit nieuwste boek dus een heuse boekpresentatie kreeg was al een enorme overwinning op mijzelf.

In de zoektocht naar een stukje om voor te lezen las ik zelf mijn boek nog eens door en gek genoeg verraste ik mezelf. Het boek is niet alleen mooi, het is ook nog eens goed. En ik weet dat ik misschien niet de objectiefste ben, maar ik ben wel ongelooflijk kritisch. Zeker op mijn eigen werk.

Ik vind het ontzettend moeilijk om gewoon trots te zijn op iets dat ik gedaan heb. Of gemaakt heb. Dus toegeven dat ik trots mag zijn is voor mij een mega hoge drempel overgaan.

Groei, dat is misschien wel het beste woord.

Ik sta aan de basis van een transformatie. Ik maak ruimte voor meer en dat proces voelt nu nog heel oncomfortabel. Ik ben gewend mezelf klein te houden. Onzichtbaar te maken. Bang om de aandacht te trekken, maar iets in mij zegt dat het tijd is daar verandering in aan te brengen. Ik wil meer dan alleen zichtbaar zijn vanachter een scherm. Ik kán meer dan dat.

En dus was die boekpresentatie meer dan het aan de man (of vrouw) proberen te brengen van een product. Het was een stap richting meer zichtbaar zijn. Het was ruimte maken, voor mij als persoon.

Het is het begin van een voorzichtige droom…

Geklieder in de kantlijn

Hoe vaak moet iemand bewijzen dat hij ziek is voordat we hem geloven?

Misschien ben ik wel het perfecte voorbeeld voor deze vraag. Ik werd geboren met een erfelijke aandoening waarvan we het bestaan niet wisten, noch vermoedden. Ik was gewoon ik: hypermobiel zonder te weten wat dat betekende, wat onhandig, beperkt in mijn energieniveau en blessuregevoelig. Indrukwekkende platvoeten en instabiele knieën.

Ik wist niet dat ik iets mankeerde, laat staan wat dan. Ik wist alleen dat ik anders was dan anderen. Een uitzondering. Ik had bovengemiddeld vaak blessures. Ontstekingen. Scheurde of verrekte elke gewrichtsband die je kunt verzinnen. Ik was lid van de firma Kluns & Klungel.

Jaren later kreeg ik een stempel: EDS. Chronisch ziek. Maar toen had ik mijn fysieke grenzen al veel te vaak genegeerd.

Chronisch. Dat betekent: altijd.

Het is dubbel. In mijn hoofd probeer ik het stempel los te laten. Ik wíl niet geloven in chronisch, omdat ik vóel dat ik ruimte moet houden voor herstel. Tegelijk heb ik datzelfde stempel nodig. Praktisch. Zonder diagnose geen hulp. Zonder hulp geen ruimte om te herstellen. Mijn lijf heeft tijd nodig. Dat hoop ik althans.

Dat klinkt tegenstrijdig voor sommigen. En het maakt wantrouwen los bij anderen.

Laat ik het simpel zeggen: als chronisch altijd betekent, kan het niet beter worden. En als het beter kan worden, is het dan nog chronisch? Het zijn twee waarheden die, hoe ik er nu tegenaan kijk, naast elkaar kunnen bestaan.

Hoe vaak moet iemand bewijzen dat hij ziek is voordat we hem geloven?

En als we hem uiteindelijk geloven, als hij eindelijk de hulp krijgt die hij nodig heeft, wat gebeurt er dan als hij voorzichtig opkrabbelt? Trekken we de steun dan weer in? Of gunnen we hem de ruimte om een stukje eigen regie terug te pakken?

Ik heb jarenlang gesprekken gevoerd met instanties. Keukentafelgesprekken. Keuringen. Formulieren en indicaties. Iedere stap moest ik verantwoorden. Vooruit én achteruit. Dat gevoel, dat je bestaan meetbaar moet zijn, dat raak je niet meer kwijt.

We leven binnen een systeem dat is ingericht op controle. Op meten. Op verantwoorden. Op vastleggen. 

Wat, of wie, niet binnen de marges past, roept vragen op. Wat niet voorspelbaar is, vraagt om extra bewijs.

Geen geklieder in de kantlijn.

Maar daar, precies daar, speelt het echte leven zich af. Tussen die regels. In de ruimte waar het niet netjes uitkomt.

Een pijnlijke nuance

Gisteren keek ik naar het staartje van Zembla. Ik hoorde artsen en apothekers praten over een probleem dat zich voordoet bij een groot aantal pijnpatiënten: verslaving aan opioïden.

Ik schreef er al vaker over. Veel vaker.
Ik verdedigde ze met verve, mijn medicijnen.
En ik vervloekte ze. Vervloek ze.
Tegenwoordige tijd.

Twee waarheden die naast elkaar bestaan in één en hetzelfde leven.

Ik wil niet verslaafd zijn. Dat ben ik ook niet. Niet in de zin van hunkeren naar meer, naar steeds hogere doseringen, naar vaker gebruiken. Ik ben stabiel. Al jaren.

Stabiel afhankelijk, want als ik mijn pijnstillers niet op tijd neem, dienen de ontwenningsverschijnselen zich aan. Mijn lichaam is afhankelijk.

Afhankelijkheid en verslaving worden vaak op één hoop gegooid. Maar er zit nuance tussen die twee. Mijn medicijngebruik is al jaren een zeer bewuste keuze. Ik ben als het ware bewust afhankelijk. Niet onwetend en zeker niet achteloos.

De pijn in mijn lijf is dusdanig heftig dat ik zonder pijnmedicatie niet kan functioneren. Dat is misschien lastig voor te stellen als een leven met pijn je vreemd is. En het is niet alleen chronische pijn. Leven met EDS betekent voor veel mensen leven met een scala aan pijn: chronisch, in mijn geval door meerdere hernia’s en slijtage op verschillende plekken, maar ook acuut, door ontstekingen en overbelasting.

Kwaliteit van leven is mij veel waard. Ik kies ervoor op deze manier om te gaan met mijn pijn. En daarnaast werk ik op veel gebieden aan hoe ik omga met wat overblijft, want dat ene pilletje, die pleister, is geen magisch middel dat alles laat verdwijnen.

De medicijnen halen de scherpe kantjes eraf. Ze zorgen dat ik niet compleet gevloerd word.

Natuurlijk moeten we kritisch kijken naar hoe opioïden worden voorgeschreven. Natuurlijk moeten artsen en patiënten zich bewust zijn van de risico’s. Deze middelen zijn niet onschuldig.

Maar pijn is dat ook niet.

Het voelt soms alsof het oplossen van een probleem kan worden afgevinkt op een lijstje: minder voorschrijven, probleem opgelost. Percentages omlaag, statistiek tevreden.

Alleen: mensen zijn geen statistieken.

Achter elk recept zit een lichaam.
Een leven.
Een afweging.

Soms een wanhopige zoektocht naar een beetje lucht.

Ik kies bewust voor deze medicatie. Niet omdat ik de risico’s negeer, maar omdat ik ze afweeg tegen wat er gebeurt als ik stop. Dat is geen ontkenning.

Dat is mijn keuze.
Binnen de grenzen van mijn eigen lijf.

Er moet iets veranderen in hoe we omgaan met chronische pijn. In kennis. In onderzoek. In begeleiding. In maatwerk.

Maar als nuance verdwijnt, verdwijnen mensen tussen de regels.

Ik hoop dat ik baas mag blijven over mijn eigen keuzes. Over mijn eigen lichaam.

PEM

Toen ik een jaar of twintig was, werd mijn vader gediagnosticeerd met ME. Het hoofdsymptoom: een diepe, allesoverheersende vermoeidheid die maar niet overging. Ik zag hem achteruitgaan, zag hoe dingen die ooit vanzelfsprekend waren, werk, sociale activiteiten, simpelweg leven, langzaam onhaalbaar werden. Hij moest keuzes maken. Minder mensen zien, minder doen. Alles draaide om het beetje energie dat hij nog had. Eén activiteit kon al een terugval veroorzaken, dus stelde hij grenzen. Voor zichzelf, maar ook voor de mensen om hem heen.

Rond diezelfde tijd begon mijn eigen lijf steeds vaker mankementen te vertonen. Mijn rug protesteerde, mijn schouders en polsen raakten overbelast, en ik was altijd moe. Heel diep moe. Pas eind veertig kreeg ik mijn diagnose: Ehlers-Danlos. En daarbovenop CVS, het chronisch vermoeidheidssyndroom. Ik sleepte mezelf door het leven. Van werk naar huis. Tussendoor op het toilet even mijn ogen sluiten om de dag door te komen. Daar, ergens, begonnen de processen waar ik inmiddels al tien jaar over schrijf.

Waar ik nooit eerder over schreef, is de titel van dit blog: PEM. Post Exertional Malaise.
In gewoon Nederlands: een verergering van klachten na inspanning.

Mijn vader had er last van. Ik dus ook. En inmiddels weten we dat PEM voorkomt bij ME, bij EDS en steeds vaker wordt gezien bij Long COVID. Goed dat er eindelijk aandacht voor komt.

Ik vond het vroeger altijd vreemd. Ik ging naar de fysio en voelde daar weinig van. En twee dagen later lag ik volledig in de kreukels. Niet een beetje, maar compleet. Niet kunnen bewegen, het gevoel hebben dat je door een stadsbus bent overreden. Ik legde nooit de koppeling met die ene activiteit en toen ik dat wél deed, vonden artsen dat ik overdreef. Dus hield ik mijn mond. Blijkbaar kon ik mijn eigen lijf niet vertrouwen.

Het heeft lang geduurd voordat ik die gedachte los kon laten.

PEM voelt alsof je griep hebt. Een flinke griep. Je lichaam voelt koortsig zonder koorts te hebben. Pijn overal. Je benen voelen alsof ze een marathon achter de rug hebben voordat je zelfs maar uit bed bent gekomen. De uitputting is zo diep, zo zwaar dat het niet in verhouding staat tot wat je gedaan hebt. Soms had ik nog geen tien keer mijn been opgetild.

Ben ik ervan nu af?

Nee. Maar het is minder heftig geworden, zolang ik niet te gek doe. Na een paar dagen Londen ging mijn systeem weer volledig op tilt. En zo’n aanval is niet met één dag liggen opgelost. Soms duurt het weken. Soms maanden. Na onze reis naar Amerika duurde het meer dan een jaar voordat ik weer een beetje op mijn oude niveau zat.

Ik doe niet aan spijt. Ik weet inmiddels wat de consequenties zijn van mijn keuzes, en ik maak ze bewust, ook als ze heftig zijn. Dat betekent niet dat ik er niet van baal.

En ik heb geluk: de afgelopen jaren is de hevigheid afgenomen. Hoe dat kan, kun je lezen in mijn laatste boek (interesse? Stuur me een berichtje). Ik weet niet of ik mentaal nog terug zou kunnen naar die periode van 23 uur per dag liggen. Dat was écht veel. Al weet ik ook dat het altijd nog erger kan.

PEM is zwaar.
En zwaar onderschat.

Het is niet te begrijpen als je het nooit hebt gevoeld, en ik gun het niemand.

Het is goed dat er steeds meer aandacht komt voor dit fenomeen. Het wordt namelijk gigantisch onderschat, door artsen, door de omgeving, maar vooral ook door de mensen die het zelf overkomt.