Druk

Iedereen zegt het, tenminste iedereen die ik ken. Iedereen is druk, sommigen zijn druk met iets en sommigen kunnen druk zijn met niets. Ik kan beide, heel druk zijn met iets en heel druk zijn met niets dan je heel druk maken. Over maatregelen bijvoorbeeld, of over dingen die anderen doen en ik moet laten. Momenteel ben ik druk met van alles nog wat, druk met ietsen, niet met nietsen.

Ik maak me druk om dingen die ik van mezelf af moet hebben. Ik leg mezelf deadlines op en ik haal ze zelden tot nooit. Vroeger hield ik van deadlines, ik was op mijn best als ik onder druk stond. Niet op zijn gezelligst, dat is iets anders. Tegenwoordig kan ik niet meer zo goed omgaan met druk. Het maakt dat ik nog meer chaos heb in mijn toch al drukke hoofd en dat zorgt voor een soort van kortsluiting. Letterlijke stilstand, in mijn hoofd en in mijn handen. Ik kan trillen van frustratie, van onderdrukte ideeën, die vastlopen in totale chaos.

Ik heb wat projecten om handen. Dingen die ik wil, maar dingen die vastlopen op andere dingen die moeten. Die eerst moeten, want ook ik heb het druk, met iets dus. Zoonlief zit op school met de laatste loodjes voor zijn eindstage, ook wel examens geheten en ik maak me druk om beide. Waar hij (vrij laconiek) roept dat het allemaal wel goed komt (of niet, denk ik er dan achteraan), weet ik wat er allemaal nog bij komt kijken. Ik zie de beren die mijn moeder mijn hele leven al op mijn weg ziet staan. Ze springen vanachter de struiken zo zijn pad op, in mijn ogen dan, maar hij ziet ze langs de kant van de weg staan zwaaien. Ze wensen hem slechts succes en gaan door met vissen, of dat wat beren doen, precies zoals ik de beren van mijn moeder zag zwaaien -en nog steeds zie zwaaien-. Het is dat ding aan ouder worden, in de trant van ouder worden van een kind. Dus beren gaan niet meer weg, ze versperren slechts mooie bospaden in je hoofd. Ga toch vissen, ik kan het wel denken, maar zo werkt het blijkbaar niet.

Ik heb leuke projecten op mijn weg, maar het ontbreekt me aan tijd, of aan mogelijkheden eigenlijk, want ja, willen en kunnen liggen weer eens mijlenver uit elkaar. Net viel het kwartje. Sinds de booster prik voel ik me al rot. Rillingen, spierpijn, koud zweet. Dysautonomie aanvallen die me regelmatig overvallen. Is er een connectie? Zou kunnen, want het is toen begonnen, maar ik maak me door al mijn projectjes ook drukker dan normaal, dus ook dat zou kunnen. Dat ik me niet top voel is wel zeker. Ik probeer het rustig aan te doen, maar ja, ik wil ook weleens weer wat.

Iedereen is druk, ik dus ook. Drukker dan momenteel goed voor me is. Druk zijn geeft nog meer druk en zo ben ik al snel weer te druk. Of maak ik me te druk, dat sowieso. Ik voel me een kampioen in afzeggen, neem het me niet kwalijk! Ik ben nu eenmaal druk, met ietsen en met nietsen.

Foto Pixabay

Hulp-hond?

Het spookt, niet in de opera, maar in mijn hoofd. Op goede dagen vind ik dat ik de hulp die ik krijg niet verdien. Op slechte dagen heb ik geen andere keuze dan me eraan over te geven. Het is moeilijk uit te leggen hoe dit mechanisme werkt aan iemand die fysiek gezond is, maar bij mij is dit -die hulp dus- al tijden een dingetje.

Na jaren van vechten voelt het accepteren als opgeven. Vechten is een makkelijker proces. Vechten heeft iets actiefs. Je bent in verzet, je doet iets. Nou ja, je doet eigenlijk iets dat je, in mijn geval dan, beter niet kunt doen, maar het voelt beter. Stel je moet werken aan genezing, revalideren dus -ja, er was een woord voor-. Met inzet kun je iets bereiken en dat laatste maakt het verschil. Ik ben iemand die zich graag inzet om iets te bereiken. Mijn willetje is zeer sterk. Het wordt echter al jaren onderuit gehaald door het kunnen. Dat doet iets met je, met mij in ieder geval. Het voelt als falen. Ik weet verstandelijk best dat het geen falen is, maar mijn gevoel zegt iets anders.

Na jaren van vechten kreeg ik hulp en nu voelt het voor mij soms alsof ik te goed ben voor die hulp, fysiek dan. Dat ik zonder hen totaal niet kan functioneren is een punt dat mijn hoofd nog weleens vergeet. Dat ik realistisch gezien niet veel meer doe dan twee keer per dag Lewis uitlaten vergeet ik ook. Dat is overigens mentaal ook beter, want op het moment dat het door mijn hoofd schiet voel ik me weer een loser, een mislukkeling, een kneus. Nee, meer dan een kneus, want dat ben ik, heus.

Vanmorgen had ik weer zo’n momentje. Dat vergt enige uitleg, de afgelopen dagen heb ik te maken gehad met een fikse terugval. Ik kon niets, zelfs Lewis uitlaten zat er niet ik en dat is echt de nummer één activiteit van de dag. Met stip, ik sla niet over, niet als het niet anders kan. Het ging dus niet. Ik lag een paar dagen weer drieëntwintig uur plat. Enig idee hoeveel dat is? Dat is echt niet grappig. Je krijgt pijn van het liggen, maar kunt niet anders. Overeind was onderuit, zo ging het. Oud en nieuw heeft erin gehakt. Vooral nieuw denk ik, al had oud ook al een goede duit in het gammele zakje gegaan. Ik heb al mijn afspraken deze week af moeten zeggen en dat vind ik bijzonder moeilijk. Het was weer een lesje in grenzen.

Gister voelde ik mij wat beter. Dingetje aan mij is dat ik dan de neiging heb compleet door te slaan in mijn willen -wat dus weer botst met dat kunnen-. Het momentje, het komt eraan, even een momentje. Vanmorgen ging er een filmpje rond van de Click, hulphondenschool, trieste aanleiding, mooi filmpje. Tranen met tuiten en echt, ik huil zelden buiten Grey’s anatomy en Disney films. Hoe mooi al die hulphonden aan het werk. Lampen uit doen en dekentjes brengen, ik smolt. De tekst, de muziek, het raakte me vol in mijn hart. En dan -hier komt het momentje- komt daar de twijfel weer. Is Lewis wel echt een hulphond? Heb in dat wel nodig, ik kan zelf de lampen uitdoen en mijn dekentje ligt standaard al bij me. Gek word ik ervan hoor, van dat hoofd van mij en van die twijfels.

Ik belde met een lotgenootje, toeval, al geloof ik niet in toeval en ging met Lewis wat boodschappen doen. Toeval wil -ja, datzelfde toeval dat niet bestaat- dat ik bij de poort mijn sleutels liet vallen en Lewis bedenkt zich geen seconde en pakt ze op en geeft ze aan mij. Ik was kapot, liet het touwtje waarmee ik de poort dicht kan doen glippen en Lewis pakte hem om hem aan mij te geven. Iets dat we nog nooit echt geoefend hebben. Commando pak en geef. Hij maakte dat mijn twijfels als sneeuw voor de zon verdwenen. Hoezo geen echte hulphond?! Lewis hoeft me dan misschien niet de hele dag bij te staan -al is het feit dat hij naast mij staat mentaal gewoon al een enorme steun- hij is daar als ik hem nodig heb. Is dat niet de bedoeling van de hulphond? Hij is mijn steun en toeverlaat. Mijn harige hulp op vier poten. Ik kan me een leven zonder hem gewoon niet langer voorstellen. Hij verdient die titel, hij maakt hem waar.

Ik moet aan de slag met een nieuw acceptatieproces, het accepteren van hulp blijkt nog steeds een dingetje. Al is het mezelf gunnen van hulp wellicht het grootste probleem. Het willen botst nog steeds met het kunnen, dat spook is ook nog altijd daar. Je kunt beter actief in een gevecht zitten dan passief moeten aanzien hoe het je leven overneemt, over heeft genomen. Vluchten kan niet meer, ik zou niet weten waarnaartoe. Zou niet weten wat of hoe. Misschien was dit een eerste échte stap. Misschien heeft Lewis me meer laten zien dan ik dacht. Als dat geen hulp is…

Oneerlijk…

Vanmorgen moest ik naar Livit, ik heb een probleempje met mijn splints. Nou ja, probleempje, het is inmiddels echt wel een probleem aan het worden. Ze zijn te klein, mijn vingers groeien nog harder dan mijn buik -en dat wil wat zeggen voor een vrouw in de overgang-, in de breedte dan hè, het is niet zo dat ik spaghettihanden ontwikkel. Ik hou blijkbaar vocht vast en mijn vingers groeien de verkeerde kant op. De topjes wijken uit en de knokkels krijgen bulten. En het vel hangt ook nog eens over. EDS heeft vat gekregen op mijn handen en flink ook.

Naar Livit dus, om te kijken of er nog iets te redden viel. Nu ben ik ‘s morgens en ‘s avonds standaard in gevecht met mijn vingers. Zonder splints kan ik niet veel, maar de ringen staan in mijn handen gedrukt en om- en afdoen kost me ontzettend veel kracht en dat heb ik niet. Mijn vaste adviseur was gelukkig terug na een hele tijd afwezig geweest te zijn en heeft een nieuwe set aangemeten. Het was nodig, echt nodig. Nog een maandje bikkelen en dan is dat gevecht hopelijk weer voorbij. Hij heeft me meteen een zachte nekkraag aangemeten, want met de harde kan ik in mijn rolstoel niet overweg. Tien is weer blij op dat front!

Op ander front voel ik me een beetje dubbel. In de bus, onderweg naar Livit, hoorde ik op de radio dat veel zorgmedewerkers zitten met long covid en daarmee nu in de WIA dreigen te geraken. Dat ze nu een financieel probleem hebben door hoge ziektekosten. Daar wringt mijn semi-orthopedische schoen wel ietwat moet ik zeggen. De vakbond vindt dat deze mensen geholpen moeten worden. Daar ben ik het niet mee oneens hoor, maar hallo, hoe denk je dat andere chronisch zieken zich voelen die in de WIA zijn belandt? Verdienen zij (eh wij dus) geen hulp? Ik heb me altijd volledig ingezet op mijn werk, ben door het altijd maar doorgaan uiteindelijk te ver over mijn grenzen gegaan en in de WIA belandt. Niet mijn keuze hè? Ook mijn salaris werd gekort. En dat buiten het feit dat ik eerder uren moest inleveren door mijn aandoening. Ik had de keuze om ooit weer extra te werken niet meer. Enig idee wat dat koste?

Er is heel veel duidelijk geworden de afgelopen jaren. Een hand op zere plekken, want er zijn niet genoeg vingers om het lek in de dijken te stoppen. Het falen van de zorg, de problemen die we veroorzaakt hebben betreffende het milieu, de woningnood. Nu zorgmedewerkers in de problemen komen door een aandoening die ze op het werk hebben opgelopen moet het anders, maar vergeet al die anderen niet. De mensen die Q koorts opliepen omdat ze toevallig op de verkeerde plek woonden, de mensen die ziek werden van de verf of de drukinkt. De mensen die problemen opliepen door beeldscherm werk, de mensen die jaren op hun knieën hebben gezeten om de tegels onder de voeten van anderen te leggen. De mensen die hun lijf verkloot hebben terwijl ze hun handen uit de mouwen staken. Vergeet ons niet in dit verhaal. We zitten/liggen niet voor de tv omdat we dat zo graag doen.

Het doet me oprecht pijn als ik lees hoeveel mensen geraakt zijn door deze crisis, op welke manier dan ook, maar vergeet ons niet…

Trots

Ik zag een mooie vraag op Facebook ‘Als je kijkt naar een paar jaar terug, ben je dan trots op jezelf?’. Een goede om eens over na te denken.

Ik ben niet iemand die veel terugkijkt. Ik leef nu, niet in het verleden en niet in de toekomst. In heb dingen verprutst, dingen verkloot. Ik heb fouten gemaakt, maar ik heb daar ook van geleerd. Zonder die fouten was ik niet diegene geworden die ik nu ben. Van de domme dingen leer je misschien wel het meest en ik heb best een lijstje met domme dingen. Als ik terug kijk zie ik niet alleen domme dingen hoor, ik zie naast de nodige leermomenten ook echt wel mooie dingen.

Tien jaar geleden veranderde mijn leven. Er kwam een eind aan mijn carrière, mijn aandoening nam ineens een groot deel van mijn leven over. Ik wist toen nog niet voor welke uitdagingen we als gezin zouden komen te staan. Voor welke uitdagingen ik fysiek zou komen te staan. Het begon met een ogenschijnlijk simpele hernia en dat zorgde uiteindelijk, door mijn toen nog niet bekende onderliggende bindweefselaandoening, voor een grote ommekeer. Ik kan me bijna niet meer voorstellen hoe het is gewoon naar mijn werk te gaan, te sporten, avondjes weg te gaan. Niet door corona, want dat heeft in dat opzicht voor mij voor weinig verandering gezorgd. Na mijn hernia operatie lukte het niet meer op te krabbelen. Jaren van ontkenning, van grensoverschrijdend gedrag, op fysiek niveau, eisten nu hun tol. Mijn lijf was op, stortte in, echt in. Ik heb gevochten voor wat ik waard was, maar verloor keer op keer.

De winst lag uiteindelijk in het accepteren, voor zover dat mogelijk was. Accepteren dat de rolstoel in mijn leven kwam, accepteren dat zelf rollen niet kon en ik met een pookje verder moest. Accepteren dat werken geen optie meer was. Accepteren dat ik het allergrootste deel van mijn tijd om bed door moet brengen. Niet omdat ik zo vreselijk moe ben -nou ja, dat ook, maar daarom lig ik niet-, maar omdat zitten met mijn rug geen pretje is. En dat als lopen ook geen optie is slechts liggen overblijft. Ik zou kruipen als mijn knieën niet zo vervelend deden. Dat is het nadeel van deze aandoening, ieder gewricht heeft zijn eigen uitdaging.

Ben ik trots op mezelf? Ik durf te zeggen dat ik dat ben. Ik heb het maar mooi geflikt, ik heb nieuwe uitdagingen gevonden, op een positieve manier. Ik heb mijn columns, mijn gedichten, mijn boeken. Iets waar ik nooit over nagedacht heb. Daar ben ik onwijs trots op! Ik heb de stichting en al is daar de afgelopen twee jaar door corona en andere omstandigheden misschien even weinig actie geweest, we pakken dat volgend jaar gewoon weer op. Op het gebied van aandacht voor EDS heb ik op mijn manier mijn steentje bijgedragen. Ik heb mensen mogen helpen, daar ben ik dankbaar voor. Ik mag plaatselijk mijn steentje bijdragen en als is het maar een kiezeltje, je weet nooit welke rimpeling dat kiezeltje veroorzaakt.

Mijn leven was niet makkelijk de afgelopen jaren. We kregen op een aantal vlakken te maken met tegenslag, maar we hebben niet bij de pakken neergezeten. We hebben geleerd te dansen op de golven. Ik ben zo trots op mijn mannen, en op mezelf, want ook dat mag best gezegd worden.

But you don’t look sick

Gisteren stuitte ik op dit plaatje, een plaatje dat ik een paar jaar geleden gedeeld heb. Nog steeds lees ik verhalen van lotgenoten die hierop beoordeeld worden, veroordeeld worden. Ik heb geluk met de mensen om mij heen. De meesten begrijpen mijn situatie. Ik heb het meest last van mezelf in dat opzicht, ik veroordeel mezelf en hard ook. Soms ben je zelf je ergste vijand. Voor jullie beeld pik ik er even een paar voorbeelden uit.

Probeer gewoon wat positiever te zijn.
Ok, deze past totaal niet bij mij en ik word, denk ik, ook totaal niet gezien als een negatief persoon. Alhoewel, een goede vriendin van mij heeft het weleens gezegd, maar dan in een andere context. Door mijn omgang met sommige lotgenoten zocht ik het negatieve op. Door constant te schrijven over mijn ervaringen zou ik dingen niet positief benaderen. Daar ben ik het absoluut niet mee eens. Ik ben dan misschien vaak bezig met EDS, door het schrijven en door de stichting, maar ik vind niet dat ik daardoor negatief in het leven sta. Ik probeer de dingen juist door erover te schrijven een plekje te geven. Ik verwerk door erover te schrijven. Je kunt in mijn schrijfsels ook juist lezen dat ik stappen maak daarin. De onderwerpen veranderen, ik groei. En ik probeer met mijn stem anderen te helpen. Of dat werkt moet eenieder zelf bepalen, maar ik denk dat erover lezen -en schrijven- therapeutisch werkt. Ik ben gewoon een gratis therapeut. Betaald door de staat, soort van.

Lekker makkelijk, zo hoef je niet te werken.
Tja, een groot deel van onze geweldige samenleving schijnt zo te denken over ons kneuzen. Lekker makkelijk, een heerlijk lui leventje. De hele dag achterover leunen en je overgeven aan de geneugten des levens. Dat is wat ik doe. Ik lig achterover, afstandsbediening binnen handbereik. Bak chips op links en bak pepernoten op rechts. En maar zappen, want laten we eerlijk zijn, heel veel soeps biedt de televisie niet. Het is corona dat de klok slaat en heel eerlijk ik ben dat beu. Ik ben lamgeslagen door de cijfertjes, lamgeslagen door dat stelletje prutsers dat vast op de eigen manier hun best doet, maar in mijn ogen toch echt wel dingen anders en beter kan doen. Weleens geprobeerd trouwens? Het grootste deel van de dag moeten liggen? Verre van prettig! Dus nee, lekker makkelijk is mijn leven niet. Al heb ik me er goed aan aangepast en ben ik absoluut een dankbaar mens. Ieder heeft zijn eigen uitdagingen, laten we het daarop houden.

Misschien moet je eens gaan sporten.
Ja, die zit altijd in mijn hoofd. Eens in de zoveel tijd probeer ik het weer, om vervolgens altijd weer in te storten en terug te moeten naar af. Niet langs start, u verdient geen tweehonderd Euro. Ook mijn EMS is gestrand, overbelast, totaal. Iedere nacht lig ik wakker van de pijn. Het is weer herfst, niet mijn seizoen. Mijn lijf gooit de kont tegen de krib. Ik baal ervan, geloof mij! Lewis uitlaten, daar moet ik mij op richten. Meer zit er gewoon niet in. Sporten werkt soms tegendraads. Hoe graag ik ook wil, het gaat gewoon niet. Willen is geen kunnen, was het maar zo’n feest.

Je ziet er helemaal niet ziek uit.
Gelukkig niet! Alhoewel, die rolstoel, die verraadt me als ik buiten de deur ben. Hierbinnen zie je, behalve het bed in de woonkamer, weinig aan me. De wallen onder mijn ogen misschien, want met de extra morfine komt ook de enorme vermoeidheid. De mist in mijn hoofd die me verkeerde woorden uit laat kramen. Die me af en toe de weg kwijt laat zijn. Al komt de vermoeidheid ook door het slechte slapen. Wakker worden van pijn komt de nachtrust niet ten goede. Met een tikkie make-up ben ik best ok om te zien, zonder ga ik voor het zombie effect. Oh en ik vergeet de pinguïn-hop, het slepende been. Je hoort het als ik hakken draag, een onevenwichtige quickstep die eerder een slowfox is.

Ik veroordeel mezelf. Ik vind mezelf nog steeds niet beperkt genoeg. Vind dat ik alle hulp niet verdien. Ik kan wat ik kan door alle hulp die ik krijg. Zonder ben ik 24/7 veroordeeld tot mijn bed. Toch wil dat er in mijn hoofd niet in. Ook dat is een terugkerend probleem. Hoe hard mensen om me heen ook roepen dat ik het verdien, dat ik mezelf echt niet aanstel, het stemmetje is daar. Als een oorwurm die zich naar binnen vreet in mijn hoofd. Hij weet altijd de weg naar huis te vinden, hoe hard ik hem ook probeer naar buiten te schoppen. Het is weer de tijd van het jaar, de tijd van de vertwijfeling. Het zit diep, al boek ik vooruitgang. Ik begin langzaam maar zeker meer in mezelf te geloven. Op mezelf te vertrouwen. Wie weet vindt de oorwurm ooit zijn eigen plekje, buiten mijn hoofd.

Je weet niet wat er speelt achter gesloten deuren. Ik ga ervan uit dat mensen niet voor hun lol de hele dagen achter de tv gaan liggen. En doen ze dat wel, dan missen ze een hoop en verdienen ze op die manier mijn medeleven (niet te verwarren met medelijden!). Chronisch zieken krijgen te vaak te maken met vooroordelen, met onbegrip. Door anderen en door zichzelf. Geloof mij maar, daar hoef je geen extra moeite voor te doen.

Tijdgebrek

Vijf jaar geleden schreef ik een stukje over tijdgebrek. Over de o zo moeilijke keuzes die ik moet maken op een dag. Ik wil van alles, maar effectief kunnen is er niet bij. En dan lig ik er dit jaar echt wel anders bij als vorig jaar. Vorig jaar ging ik een keer of vier per week compleet knock-out door een overbelast systeem. Dit jaar gaat dat met dank aan alle hulp in huis veel beter. Ik doseer beter en heb wat handige oplossingen aan kunnen schaffen die me goed helpen. Toch is het probleem van dat tijdgebrek niet opgelost. Het zal ook niet opgelost worden vrees ik.

Hoe zit dat, met die tijd? Ik heb toch tijd zat? Ik werk niet, ik hoef geen huishouden te runnen. Niet te poetsen, niet te koken. Ik ben een enorm verwend nest toch? Ik kan doen en laten wat ik wil, wanneer ik het maar wil.

Was het maar zo’n feest. In mijn hoofd kan ik alles en alles tegelijk. Ik begin zo de dag vol goede moed, enthousiast over wat ik allemaal wel niet ga uitvreten. Op de eerste plaats staat Lewis. Hem uitlaten is het hoogtepunt van mijn dag. Ik hijs me in mijn winterjas, trek mijn Uggs en thermosokken aan (koukleum eerste klas) en gooi mijn warme teddybont gevoerde schootkleedzak (weet niet hoe dat ding heet) over mijn schouder. Dan moet ik terug om eerst Lewis in zijn tuigje te worstelen (meneer heeft een trauma met tuigjes dus dat is een hele toer) en snoepjes te pakken (vergeet ik standaard) om vervolgens de rolstoelbeenzakhoes weer over mijn schouder te gooien en naar buiten te strompelen, waar mijn rolstoel om de hoek in de schuur staat. Ik worstel verder met mijn beenzak en rits en als ik dan ingepakt klaar zit om te gaan ben ik steevast weer iets vergeten, waardoor ik me er weer uit moet worstelen en het hele verhaal van voor af aan begint. Daarna lijn ik Lewis aan en zijn we klaar om te gaan.

Er zijn nu twee opties. Optie één is naar het park, waar Lewis helemaal los kan gaan met ofwel spelen met andere honden (Lewis is populairder dan ik ooit geweest ben) ofwel graven in de vijver (hij is in onbetaalde dienst van de afdeling groenbeheer). Optie twee is een grote ronde door de achterlanden. Wij wonen aan de rand van het dorp en ik rij met vijf minuten door de weilanden. Lewis gaat als ik hem zijn zin geef altijd voor optie één, maar met dit weer kom ik dan thuis met een varken. Op zich niet erg, maar ik moet hem ook weer schoonmaken en met mijn knakenlijf is dit verre van eenvoudig. Na een waar schoonmaakavontuur kan ik de rest van mijn plannen dan gedag zwaaien vanuit mijn bed.

Zie daar direct het probleem. De dag is net begonnen en voor mij is hij alweer klaar. Meestal kies ik ‘s morgens daarom voor optie twee, een grote ronde door de achterlanden. Minder leuk voor Lewis, beter voor mijn lijf. Al heeft ook deze optie momenteel nadelen. Ik ben überhaupt een koukleum. Ik heb het zelfs met thermosokken, Uggs en een teddybont gevoerd kleed koud. Ik heb vorig jaar drie winterjassen aangeschaft en allemaal zijn ze afgekeurd. Handschoenen uitzoeken is ook al zoiets. Ze moeten flexibel zijn (in verband met het belonen van mijn hondenbeest), maar mijn rechterhand ligt altijd stil op dat pookje en is serieus bijna bevroren. Ik heb nu een paar waar we de vingertoppen van de linker handschoen hebben afgeknipt, maar mijn rechterhand doet gewoon ontzettend veel pijn van de kou.

Na dit eerste rondje heb ik met een beetje mazzel nog kans op een bakje thee en een half uurtje laptop tijd. Daarna is mijn lijf het zat en moet ik plat. Doe ik dat niet heb ik ‘s nachts tegenwoordig feest in de vorm van kramp in mijn heup. Dat heb ik altijd wel, maar normaal kan ik dat onderdrukken met een extra pilletje, dan niet en lig ik de halve nacht wakker.

Tja, dan heb je dus twee uur gehad en je mogelijkheden al opgebruikt. De rest moet vanuit mijn bed. Tegenwoordig kan ik met mijn kleine MacBook daar nog wel een beetje computeren als mijn hoofd wil, maar anders ben ik overgeleverd aan mijn telefoon of Netflix. Opladen voor het tweede hoogtepunt van mijn dag, het avondrondje met het hondje. Daar komt niets of niemand tussen. Lewis moet op mij kunnen rekenen voor deze twee momenten. Ons uitje, onze sociale uitlaatklep.

Zie hier mijn problemen met tijd. Ik wil wel knutselen, fotograferen, íets, maar verder is er gewoon niets. Gaat niet, lukt niet, wil niet. Wil wel, kan niet. Frustrerend, dat blijft. Zeker nu mijn lijf het zwaarder heeft door dit weer. Kou, vocht, het is niet goed voor mij. Ik hou me maar voor dat dit jaar beter gaat dan vorige jaren. De hulptroepen slepen me erdoor. Als ik dat allemaal nog zelf zou moeten doen bleef er niet eens tijd voor mijn lieve viervoeter. Die viervoeter sleept me door de herfst en de winter. Het wordt vanzelf weer zomer.

Een leven lang strijd

Klinkt best heftig, als ik dit zo neerschrijf en toch is het niet overdreven. EDS is een leven lang strijd, is het niet op het fysieke front, dan wel mentaal. Is het niet mentaal, dan wel qua ondersteuning, is het niet van artsen, dan wel van de maatschappij of van lotgenoten of (erger nog) jezelf. Hoe dan ook is er strijd, altijd.

Ik las gister een opmerking, een opmerking over onbegrip van artsen, waarom anderen zonder strijd de hulp kregen die zij nodig hadden. Nu loop ik al een tijdje mee en lees ik ook al even mee, maar echt makkelijk gaat het naar mijn idee zelden als het draait om EDS. En ik snap dat best, het is, ondanks dat er naar mijn idee best veel lotgenoten rondhobbelen, nog steeds niet heel bekend. Als je al het ‘geluk’ hebt een beetje op tijd een diagnose te hebben, dan nog weten ze niet wat ze met je aanmoeten. Geen EDS’er is gelijk, maar ook geen symptoom is dat. Eh, nee Tien dat zeg je verkeerd, er is toch die hypermobiliteit? Die Breighton, bij de hyperdebieltjes? Ja en nee (wat heb ik een bloedhekel aan dat nietszeggende antwoord), want ik denk dat het nog grijziger is dan die vijftig tinten, zeker dan de negen Breighton puntjes (maar hier begeef ik mij op een zeer glad ijsvloertje).

Feit is dat ze nog te weinig weten. Feit is ook dat ze helaas soms wel veel dénken te weten. Dat leidt tot zeer schrijnende gevallen. Uitscheurende huid na operaties door zeer eigenwijze arts-portretten die niet willen luisteren. Maar ook de je-kunt-toch-niets-kapot-maken-dus-vooral-doorgaan revalidatie artsen kunnen er iets van (ja ze bestaan en noemen zichzelf arts).

De strijd begint met het begin der klachten, voor een groot deel in de pubertijd (hormonen lijken hier toch van enige invloed), maar terugkijkend zijn er in de vroege peuter pubertijd ook al aanwijzingen. Al vroeg maak je kennis met de grens en waar je als ‘normale’ puber daar best overheen kunt blijk jij fysiek vaker tegen een grens aan te knallen dan een ander. Het gaat gepaard met vuurwerk, maar niet van het goede soort.

Strijd, de eerste voorzichtige (of minder voorzichtige) stapjes op het leren omgaan met pijn gebied. Strijd, de eerste vragende blikken van artsen, de eerste ‘jij hebt wel vaak wat hè?’ momenten, de eerste blikken van ‘is het een excuus?’. Strijd, de eerste omgang met de evenwichtsbalk die ze grenzen noemen. Strijd, de vraag aan jezelf, de twijfel aan jezelf.

Jaren en jaren ongeloof doen iets met een mens. Vijf jaar zoeken is lang, is té lang. Vijfentwintig jaar maakt je onzeker, maakt dat je alles in twijfel trekt, zelfs als je best heel goed weet waar je over praat. Ook dat is een strijd, een gestreden strijd denk je, als je eindelijk die drie lettertjes zwart op wit hebt, ware het niet dat het een ‘waarschijnlijke’ diagnose blijft zolang de fout in het DNA niet gevonden is. En door al die jaren twijfel trek je jezelf weer in twijfel. Strijd je weer, nu met jezelf. Heb je de artsen overwonnen, heb je eindelijk de lettertjes, heb je eindelijk hulp op dat front begint het ergens anders.

Strijd in je hoofd, strijd met je lijf, strijd met jezelf, strijd met de artsen, strijd met je grens, strijd met de gemeente, strijd met het UWV, strijd tegen het ongeloof, strijd voor erkenning, strijd.

Strijd heeft mij gevormd, strijd heeft mij sterk gemaakt, maar ik strijd, altijd…

  • in de herhaling *

Dagje vervolgopleidingen

Gister ging ik met zoonlief naar een vervolgopleiding kijken. Manlief is druk in de tuin, ik kan die afstand niet meer zelf rijden, dus we besloten met de trein te gaan. Een mooi leermoment voor Lewis, zo besloot ik. Een kwartiertje moest tijd genoeg zijn om van huis naar het station te komen, dacht ik. Dat is best een gevaarlijke gedachtengang voor mij, want eer ik dan op weg ben is dat kwartiertje meestal geslonken tot een minuut of tien. Dat ging gister toevallig een keer wel goed, dus om stipt elf uur rolden we de deur uit.

Waar ik niet aan gedacht had, was dat zoonlief normaal gesproken niet met tien kilometer per uur richting station loopt. En ik denk daar dus pas aan als we al lang en breed op weg zijn. De fiets pakken was al geen optie meer en de tijd vloog terwijl ik op het horloge van zoonlief meekeek. Hij liep en ik rolde op een best tempo richting station. Toen de bellen van de treinovergang begonnen te rinkelen, zette zoonlief het op een rennen. Lewis wilde erachteraan, maar nu kon ik weer niet sneller. Zoonlief rende via de trap het perron op, maar ik moest er omheen. Ik riep hem toe de trein tegen te houden en ik rolde met Lewis zo snel als we konden eromheen. Terwijl het fluitje al klonk rolde ik al zwaaiend met mijn linkerarm naar de conducteur, om vooral even op ons te wachten en om mensen aan de kant te laten gaan. Zoonlief blokkeerde de deur, terwijl Lewis en ik de trein in vlogen. Dit was dus echt een ritje à la Tien.

Misschien niet het beste begin voor de eerste treinrit van Lewis, maar hij kent me blijkbaar inmiddels en gaf geen krimp. De rest van de dag verliep volgens een beter tijdschema. We hadden alle tijd om naar de school in kwestie te komen en gingen dus op rustig tempo die kant op. De nieuwe school ligt bijna tegenover de huidige, dus zoonlief wist de weg. Ik lijk wel een toerist in eigen land, een tikkeltje wereldvreemd zelfs soms volgens zoonlief. Hij liep, ik volgde met Lewis, echt rolstoelvriendelijk is het nu eenmaal niet overal. Smalle stoepen en veel wortels, drempels voor mij.

De nieuwe school had een draaideur, met een trapje. Gelukkig ook een helling ernaast, al was het wel wat krap. Een opstopping bij de deur maakte het Lewis en mij niet makkelijk in de draaideur, maar ook dat is gelukt. We mochten plaatsnemen in de kantine en Lewis ging er redelijk rustig bij liggen. Gelukkig liet hij zich niet afleiden door alle potentiële studenten en leerkrachten die om, langs en zelfs over hem heen stapten, super knap van hem! Daarna mochten we door naar de collegezaal, waar we bovenin plaatsnamen. Nu werd het uitdagend, veel mensen en Lewis heeft nog wat moeite met geduldig wachten. Hij blijft mij aankijken in afwachting van de beloning. Als die niet komt zorgt hij er wel voor dat die komt en zo probeer ik die tijd te verlengen, zonder vervelend gedrag te belonen en dat is echt wel een uitdaging.

We hebben het gered, af en toe wat zacht gepiep, maar ook hij is nog een student. Na een fijne introductie mochten we rondkijken in de school. Met een ieniemini lift naar boven, ook spannend! Daarna laveerden we tussen alle studenten door richting de bibliotheek. Zoonlief heeft gekeken en gevraagd en ik ben aanvullend mijn vragen op een studente afgevuurd. Lewis keek het over het algemeen rustig aan, maar zijn hevig heen en weer zwiepende bips liet zien dat hij al die mensen erg leuk vond. Ik moet eerlijk zeggen dat ik wel blij was dat we weer naar buiten konden. Het zijn veel prikkels en ik begin daar toch steeds meer moeite mee te krijgen.

Op de terugweg deden we nog even de Subway aan voor een broodje, weer een spannend moment voor onze Lewis. Daarna op naar het station, waar we de trein net voor onze neus zagen wegrijden. Maar even een heerlijk bakje koffie gedaan alvorens we keikapot weer op de trein naar huis stapten, deze keer ietwat minder gestrest. We zochten een plekje tussen de fietsen en hun bestuurders. Een vrouw kon het niet laten Lewis steeds te aaien, maar hij liet zich niet afleiden.

Het was een pittig dagje voor mij, voor Lewis en voor zoonlief, maar het was ook een dag vol mooie leermomenten.

Beter?

Ik wil het weer eens hebben over het syndroom dat Ehlers Danlos heet. Je weet wel, dat syndroom dat ervoor gezorgd heeft dat ik ben toegetreden tot de club van de kneuzen en de kreupelen. Of toch niet? Heb ik daarin zelf niet een dikke vinger in de pap gehad?

Poeh, lastig! De mate van de beperkingen die je op kunt lopen met deze aandoening verschilt namelijk nogal en hangt ook nog eens van ontzettend veel factoren af. Je zou denken bindweefsel is bindweefsel en een foutje daarin is voor iedereen gelijk, maar nee, zo werkt dat dus niet. Ik denk dat als je honderd mensen met het hypermobiele type naast elkaar zet, je honderd verschillende personen ziet qua klachten. De een heeft weinig last, werkt gewoon, sport, heeft een redelijk normaal leven. De ander ligt grotendeels en rolt. Weer een ander heeft vooral last van de binnenboel. De verschillen zijn echt groot.

Er zijn lotgenoten die na jaren van fysieke ellende weer kunnen sporten, het kan. Er zijn echter ook lotgenoten die het liggen niet meer ontgroeien. Dat is iets wat voor de niet-EDS’ers niet te begrijpen is. Voor sommige EDS’ers wellicht ook niet trouwens, want hoe kan dat nu? Ik houd me ver van een oordeel daarover, ik weet het niet. Ik blijf zelf proberen. Steeds opnieuw, dat het tien jaar geleden niet ging zegt tenslotte niet dat het nu niet zou kunnen. Al tien jaar lang stoot ik mijn neus en niet te zuinig ook. Al tien jaar lang probeer in op te krabbelen en mijn lijf in beweging te schoppen. Helaas lukt het nog steeds niet. Nou ja, dat is niet helemaal waar, want ieder beetje rompstabiliteit dat ik heb en hou is meegenomen. En daar train ik dus voor.

Het kost me bloed, zweet en tranen. De boete is soms echt wel heel pittig. Vorige week ging het mis en goed ook. Een week vol pijn volgde en nog steeds heb ik er last van, maar ik ga stug door. Al doe ik het weer een tandje minder. Ik moet blij zijn met stabiliteit en de vooruitgang los laten, maar dat vind ik ontzettend moeilijk. Mensen zijn verbaasd als een lotgenoot toch vooruit gaat. Toch weer lijkt te kunnen trainen. Er is wilskracht voor nodig, het vergt doorzettingsvermogen. Maar vergis je niet, ook als je niet vooruit gaat, als je je neer moet leggen bij je situatie, soms letterlijk, kost dit enorm veel wilskracht. Het is verre van eenvoudig, je inhouden.

Mensen hebben echt geen idee hoe graag ik wil lopen, fietsen, rennen, sporten. Hoe graag ik gewoon weg wil kunnen wanneer ík dat wil, zonder afhankelijk te moeten zijn van anderen. Gewoon met Lewis naar het bos, zonder vast te rollen in de modder of de bladeren. Gewoon een avond naar de kroeg, of naar de film, zonder die verrekte beperkingen en dat enorme gebrek aan energie. Hoe graag ik honderd kilo zou willen wegdrukken met mijn benen. Of zelfs maar vijf kilo, zonder dat mijn lijf me trakteert op een lading ontstekingen. Of zelfs gewoon mijn rompbalans zou kunnen trainen zonder daarna niet te weten hoe ik moet liggen door die verrekte zenuwpijn in mijn benen. Ik wil hoepelen, ik wil gewoon kunnen fotograferen, ik wil dansen, touwtje springen. Ik wil zo ontzettend veel, maar het.gaat.gewoon.niet.

Het zijn mooie woorden. Doorzettingsvermogen, wilskracht, niet opgeven, trainen, gaan. Het zijn mooie woorden als je het kunt. Maar niet iedereen heeft die keuze. Van alle EDS’ers kan een groot percentage sporten, werken, zich terugvechten. Maar een kleiner percentage kan dit gewoon niet. Iedere EDS’er is anders, de meesten doen echt wat ze kunnen. Uitzonderingen heb je altijd, maar denk niet dat als de één iets wel kan, de ander het automatisch ook kan. Soms gaat het gewoon niet. En écht beter, dat worden we niet.

Ouderschap

Ik weet niet wat het is vandaag, maar het komt op verschillende manieren voorbij. Het ouderschap, of juist geen ouderschap. Een ongewilde kinderloosheid. Soms omdat het niet lukt, soms omdat het op andere manieren niet voor iemand weg is gelegd. En soms omdat de erfelijkheidsfactor in de weg zat, want wat doe je als je een erfelijke aandoening hebt die je maar liefst vijftig procent geeft dat je het doorgeeft aan je kind. Een hels dilemma.

Ik wist niet wat ik had toen ik zwanger werd van zoonlief. Ik had wel klachten, maar geen diagnose en dus ook geen idee van wat mij mankeerde. Op dat moment zweefde ik tussen ‘het zit tussen je oren, stel je niet zo aan’ en ‘je bent een beetje hypermobiel, net zoals tien procent van de mensen, je moet iets harder trainen’. Dat ik een nogal vervelende aandoening bleek te hebben, die nog erfelijk was ook wist ik niet. Net zoals ik niet wist hoe ik er tien jaar later bij zou liggen. Misschien is dat maar goed ook, want ik kan prima leven met de keuzes die ik gemaakt heb. Als ik mijn leven opnieuw zou mogen doen, zou ik dezelfde keuzes maken. Zelfs als ik mijn fysieke staat zou kunnen voorkomen. Dat klinkt misschien raar, maar alles wat ik heb meegemaakt en doorgemaakt heeft me gemaakt tot wie ik nu ben en ik ben best blij met mij. Ik ben een mooier mens, een liever mens, een empathischer mens geworden.

Het erfelijkheidspunt is een ingewikkeld punt. Ik moet er niet aan denken dat ik zoonlief gemist zou hebben. Tegelijkertijd heb ik mij best schuldig gevoeld richting hem, hij heeft zijn fysieke gestel aan mij te danken. Maar hij neemt mij dat niet kwalijk, zoals ik het mijn ouders niet kwalijk neem. Het is wat het is en we maken er het beste van. Nooit heb ik gedacht dat ik hier niet zou willen zijn.

Zou ik met de kennis van nu een zwangerschap aandurven? Heb ik zoonlief tekort gedaan in mijn strijd met EDS? Wat ik lastig vind en altijd lastig heb gevonden is het feit dat ik altijd kampte met een gebrek aan energie. Ik was graag de moeder geweest die dolde in de speeltuin, maar in de praktijk was ik de moeder die haar zoon misschien iets te vaak voor de elektronische oppas zette, terwijl ik op de bank lag bij te komen. Ik kon een hele kliek kinderen die kwamen spelen gewoon niet aan. Zelfs met één speelkameraadje had ik vaak de energie niet. Dat vond ik lastig, dat nam ik mezelf wel kwalijk. De vraag is of ik zoonlief daarmee tekort heb gedaan. Als ik het hem vraag zegt hij dat hij niets tekort is gekomen, blijkbaar compenseert zich dat ergens.

Is het egoïstisch een kind op de wereld te zetten als je een erfelijke aandoening hebt? Sommige mensen zullen zeggen van wel, maar als ik naar mezelf en mijn pad kijk denk ik van niet. We zijn hier volgens mij om lessen te leren en daarvoor zijn hobbels en drempels nodig. Iedereen loopt krassen op onderweg. Je weet niet hoe het leven loopt. Natuurlijk wens je niemand de beperkingen toe, maar ook zonder erfelijk gedoe kun je ze krijgen. Misschien is het sowieso wel egoïstisch een kind op deze wereld te zetten. Het is een keuze die ieder voor zich moet maken, een keuze die je niet mag veroordelen en soms een keuze die geen keuze is of laat. Een erfelijke aandoening geeft extra zorg, dat is zeker.

Foto Pixabay