Eigenlijk ben ik een soort zwerver. Niet het soort dat op straat leeft. En ook niet het soort dat met een rugzak over de wereld zwerft. Nee, ik zwerf door mijn eigen hoofd.
Zwerven door je eigen hoofd is bij vlagen knap vermoeiend, maar het is ook ontzettend waardevol. Ik ben gezegend met een ADHD brein. En ik zeg gezegend omdat ik dat inmiddels ook zo voel. Ik kan mij niets voorstellen bij een brein dat stil is. Het mijne is altijd in beweging. Bestaat het leven niet uit contrasten? Mijn lijf is vaak tot stilte gedwongen, mijn brein staat zelden stil.
Ik schrijf het vaker, ik onderzoek wat ik denk. Ik bedenk waarom ik iets denk en vooral ook waar de gedachten vandaan komen. Het leert je dingen over jezelf en die dingen zijn ontzettend waardevol.
Ik bouw aan een wereld en die wereld krijgt langzaam maar zeker vorm. Ik schrijf, ik praat, ik neem op en ik start opnieuw. Dat klinkt vermoeiend, maar het is vooral leerzaam. Ik leer door te ervaren, dat past bij mij. En ik schrijf over dat waar ik tegenaan loop. Delen geeft mijn ervaringen richting. Het is hoe ik functioneer.
Jaren geleden maakte ik mij vooral druk om de reacties van anderen op mijn gedeelde ervaringen. En toch bleef ik delen, omdat het mensen hielp. Omdat ik meer positieve reacties kreeg dan negatieve.
Het werkt twee kanten op…
Jullie vragen en jullie antwoorden helpen míj ook. Ze laten mij nadenken, geven een ander perspectief en uiteindelijk geeft ook dat richting. Een andere blik doet anders kijken. Bij mij tenminste wel.
Ik ben dus een soort zwerver.
Ik zwerf door mijn hoofd. Ik sla zijpaden in, loop soms dood en keer weer om. Maar tegenwoordig zwerf ik, voor ik naar mijn hoofd luister, eerst even langs mijn hart.
Wat voel ik eigenlijk? Wat wil ik? Wat klopt voor mij?
Ik neem mijn gevoel serieus, iets dat me jaren heeft gekost. En misschien leer ik nu pas écht dat niet iedere route vooraf vast hoeft te liggen om ergens naartoe te leiden.
Ik heb jaren gedacht dat ik me teveel aantrok van de mening van anderen. Voor een oordeel waar ik geen controle of invloed op had. Ik dacht het toen de hulpmiddelen kwamen, toen ik ging rollen. Ik stelde zo lang mogelijk uit, uit angst voor die oordelen. Dacht ik dus.
Inmiddels weet ik dat de realiteit anders lag. Ik was niet bang voor de oordelen van een ander. Het probleem zat in mijzelf. In hoe ik naar de wereld keek. En ik ben daar niet trots op, zeker niet. Maar ik ga het je wel vertellen. Omdat het jou misschien kan helpen…
Toen ik mijn eerste elro kreeg, Alex, schaamde ik mij dood. Ik voelde me een mislukkeling. Mijn lijf liet me in de steek en dat voelde als falen. Voor een perfectionistische controlfreak als ik was de afhankelijkheid die potentieel voor mij lag een hel. Verstandelijk wist ik best dat deze stap nodig was. Verstandelijk kon ik zien dat het elektrisch rollen me weer een zekere vorm van vrijheid op kon leveren. Mijn weg naar buiten zou kunnen zijn. Maar gevoelsmatig was het een heel ander verhaal.
Het accepteren van mijn handrolstoel was anders. Deze stoelen waren nog enigszins hip. Deze rollers waren stoer, in mijn ogen. Maar er was weinig stoers aan geduwd worden in een hippe stoel. Het ontnam me mijn zelfstandigheid. Ik moest aanschouwen hoe ik de regie over mijn leven steeds meer kwijtraakte. Toen het zitten echt niet langer ging en de elro in beeld kwam schreef ik dat ik vocht tegen het monster der monsters. De enige woorden die bij mij bovenkwamen bij zo’n stoel waren sneu en mislukt.
Ik zette alles wat ik maar kon verzinnen in om mezelf te overtuigen van het feit dat de overgang naar deze rolstoel een stap vooruit was. Een weg uit mijn bed.
Ik schreef vol overgave over mogelijkheden, over pluspunten. Ik liet me fotograferen voor mijn blog, in mijn rolstoel. In de hoop dat ik het zelf ook zo zou gaan zien. Dat ik niet sneu was. Maar ergens diep van binnen knaagde de twijfel.
Iedere dag opnieuw trok ik ten strijde tegen mijn gevoel. Hoe harder ik riep me compleet één te voelen met mijn nieuwe hulpmiddel, hoe harder ik mijzelf ging overschreeuwen. De glimlach was een masker.
Fake it till you make it. But I didn’t make it, not completely.
Lewis hielp me in dit proces. Met hem kon ik alles aan. Durfde ik wat ik zonder hem niet durfde. Hij leidde de aandacht af van mij, van mijn stoel. Wie zag mij nog als zijn blije bips je begroette? Zonder Lewis voelde ik mij niet compleet.
Het was dubbel: ik was zo bang dat mijn rolstoel mijn zelfstandigheid van mij afnam, maar eigenlijk was ik vooral zélf degene die dat deed.
Tien jaar lang voerde ik een stille strijd. Tegen mijn eigen denkbeelden.
En toen veranderde er van alles. In mij. Ik veranderde.
Het maakt niet uit hoe een ander naar mij kijkt. Het maakt uit hoe ik naar mezelf kijk.
Mijn zelfvertrouwen leek te groeien met de komst van Bumblebee, maar het is niet dat prachtige, gele stoeltje dat het verschil maakt. Het is de persoon die erop zit die veranderd is.
Als niemand deze stoel geweldig zou vinden, als niemand zou roepen hoe gaaf het ding is, dan nóg zou ík mij anders voelen. Omdat ik anders naar mezelf ben gaan kijken. Omdat ik mezelf de moeite waard ben gaan vinden. Niet om wat ik doe, maar gewoon omdat ik eindelijk mag zijn wie ik ben. Compleet.
Het kost moed om echt naar jezelf te kijken. Het kost moed om te ontdekken waarom je doet wat je doet en denkt wat je denkt. Maar het is ook de moeite waard om te ontdekken wie je bent, als mens. Dat maakte dat ik mijn waarde niet langer hoefde te laten bepalen door mijn stoel. Of door mijn beperkingen.
Ik ben de moeite waard omdat ik besta.
Niet omdat ik loop, of niet loop. Niet omdat ik zelfstandig iets kan, of omdat ik juist hulp nodig heb. Niet omdat ik werk, of niet. Of omdat anderen me bewonderen. Niet omdat ik iets bijzonders doe.
Ik ben de moeite waard omdat ik er ben. De oordelen zaten niet in anderen, ze zaten in mij.
En nu, nu laat ik mezelf vrij!
– – – – –
Herken je dit? Is er iets in jouw leven wat je eigenlijk graag anders zou willen, maar waarvan je jezelf vertelt dat het om een bepaalde reden niet kan? Waar je gevoel misschien botst met je verstand?
En durf je jezelf af te vragen of er misschien nog iets anders onder zit?
Ik hoor graag hoe jullie dit ervaren. Dat mag ook in een privébericht, want ik snap dat dit soort dingen best kwetsbaar zijn…
Voor veel vormen van schuldgevoel bestaat een naam. Je hebt misschien weleens gehoord van ‘survivor’s guilt’ bijvoorbeeld. Maar hoe noem je het schuldgevoel dat kan ontstaan wanneer jij hulp of een hulpmiddel krijgt dat iemand anders ook nodig heeft? Ik weet niet of hier al een officiële term voor bestaat.
Toen ik Bumblebee, mijn Genny Zero, kreeg, was ik ontzettend blij. Eigenlijk is dat een understatement. Ik kon wel huilen van geluk. En dat deed ik ook, toen ik hoorde dat hij écht mijn kant op kwam.
Tegelijk werd die blijdschap soms overschaduwd door schuldgevoel. Want waarom kreeg ík deze stoel, terwijl anderen al moeten vechten voor een eenvoudige basisrolstoel?
Dat regels en uitvoering daarvan niet altijd eerlijk uitpakken weten we allemaal. Toch voelde het voor mij een beetje alsof mijn geluk ten koste ging van dat van een ander. Alsof mijn ‘ja’ automatisch een ‘nee’ betekende voor hen.
Voor dit specifieke gevoel bestaat volgens mij nog geen naam. Laat ik het dan maar ontvangersschuld noemen. Het maakte dat ik in het begin niet eens open durfde te delen hoe ontzettend blij ik was.
Dit was niet de eerste keer dat ik hiermee worstelde. Mijn brein spuugt blijkbaar moeiteloos redenen uit waarom het ontvangen van iets dat goed is voor mij ten koste zou kunnen gaan van een ander.
Complete onzin.
Ik gun íedereen de hulp of het hulpmiddel dat bij hem of haar past. Omdat iedereen het verdient zijn of haar wereld zo groot mogelijk te maken.
En misschien zit daar wel de oplossing voor mijn gevoel. Niet mezelf kleiner maken omdat een ander óók iets verdient. Maar blijven vechten voor een wereld waarin iedereen krijgt wat hij nodig heeft.
Ik gun het jou.
En vanaf vandaag probeer ik het mezelf ook te gunnen!
Ik lig op mijn bed onder de veranda. Mijn ogen zijn gesloten (gelukkig kan ik blind typen). Ik moet leren voelen. Van mezelf.
Voelen welke onderdelen in mijn lijf pijn doen. Voelen wat mijn lichaam me daarmee vertellen wil.
Jaren geleden leerde ik de volumeknop van mijn pijn zo ver mogelijk terug te draaien. Het voordeel daarvan is dat ik minder voel. Het nadeel is hetzelfde.
Hoe weet ik wat mijn lichaam me precies wil vertellen als ik niet kan (of wil) horen wat het zegt?
Voor iemand die leeft zonder (chronische) pijn slaat dit geheel waarschijnlijk als een tang op een varken. Maar ik leef niet zonder pijn. Sterker nog, pijn is al sinds mijn tienerjaren een trouwe, vaste metgezel op mijn reis.
En dus lig ik hier, met mijn ogen gesloten.
Te voelen.
Langzaam maar zeker onderscheid ik het één van het ander. Voel ik het verschil tussen de kloppende pijn in mijn schouder en de scherpere pijn in mijn nek. De irritatie op rechts, van het gewricht dat net niet op de goede plek zit. Ik word me bewust van mijn constante tic om die schouder recht te zetten. Een luide krak (waar iedereen in mijn omgeving inmiddels aan gewend is, maar die hun gezicht nog steeds doet vertrekken) laat duidelijk horen hoe mijn botten weer op hun plek schuiven. Geen wonder dat de boel versleten is. Het één is het gevolg van…
Ik voel de zware spierpijn in mijn armen, net boven mijn ellebogen, een soort constante opgekropte spanning. Ik voel mijn polsen, de overgang naar mijn duimen, waar de irritatie van de pezen zich altijd wel enigszins laat voelen. Mijn vingers, die lichtelijk kloppen en roepen om ze even goed door te buigen. Ook die krak brengt even een soort van ontspanning.
Mijn onderrug houdt zich relatief rustig, zo lang ik hem maar plat op het matras geduwd hou. Een houding die mijn bekken en si-gewrichten wat minder leuk lijken te vinden. Mijn rechter knie geeft een wat scherpere pijn, waarschijnlijk door mijn houding en het feit dat ik mijn laptop daar tegenaan gesteund houd. Mijn linker enkel vindt dat ik te veel gelopen heb vandaag en trekt richting mijn scheenbeen.
Mijn hoofd heeft nog wat last van ons uitje van de week, het was weer eens te zwaar voor mijn nek en de trip was te lang (geen zorgen, geen extra drugs (mijn medicijnen zijn al genoeg)). De spierspanning geeft een constante bonzende hoofdpijn.
En dan is daar nog mijn buik. De constante strijd tussen eten of niet eten. Tussen verteren. Of niet.
Dit is gewoon een dag uit het leven van deze EDS’er. Niet eens een slechte dag. Gewoon een dag. Met pijnmedicatie, want zonder wordt dit een heel ander verhaal.
Ik kan ermee leven. Ik heb ermee leren leven. Ik laat het er zijn.
Altijd ben ik op zoek naar balans.
Wanneer moet ik rust nemen en wanneer kan ik dat stapje vooruit?
Voelen is geen zwakte. Het is informatie.
Voel, en er gaat een wereld voor je open.
Ik heb het volume van mijn pijnknop jarenlang stelselmatig zo ver mogelijk teruggedraaid. Ik ben er zo vaak voor weggelopen. Maar vandaag heb ik hem een klein zetje gegeven. Vandaag ben ik mijn pijn tegemoet gelopen.
Het gaat de laatste tijd best goed. Het ging de laatste tijd best goed.
Twee waarheden die prima naast elkaar kunnen bestaan. Want het gáát best goed. Ook nu het even wat minder gaat. Fysiek.
Het was een druk weekend. Een crematie én een kraambezoek op één dag. De uitersten van het leven. Afscheid en welkom, samengebracht in een paar uur.
Ik denk soms weer een hele pief te zijn. Alsof ik alles weer kan. Tot zo’n dag laat zien dat uren overeind zijn toch nog een brug te ver is. Dan is het tijd terug te gaan naar de basis. Om van daaruit opnieuw op te bouwen. Stapje voor stapje.
Gelukkig weet ik inmiddels hoe het moet. En dat ik het kán.
Ik geloof dat vertrouwen in je mogelijkheden aan de basis staat van vooruitgang. Maar om ergens in te durven geloven, moeten we vaak eerst ervaren. En om te ervaren heb je weer een sprankje geloof nodig.
Het is een cirkeltje in de grote cirkel die leven heet.
Wat ik eigenlijk wil zeggen is dit: ik ken ze nog steeds.
De dagen dat het niet wil. Of niet lukt eigenlijk, want ik wíl wel. De dagen dat ik me er letterlijk bij neer moet leggen.
En dat is oké. Soms schreeuwt mijn lichaam ook nog steeds nee…
Wanneer mag je werk eigenlijk ‘werk’ noemen? Gaat die term in wanneer je ergens geld mee verdient? Of telt de weg naar dat geld verdienen ook? Vrijwilligerswerk is ook werk, daar komt dan weer geen geld aan te pas. Verdiensten zijn dus geen noodzaak.
Doet het eigenlijk überhaupt ter zake wat iemand anders van deze term vindt?
Het stemmetje in mijn hoofd had weer eens een hele duidelijke mening, maar houdt zich na deze laatste vraag ineens verdacht stil. Die vraag gaf dus het antwoord. Het zijn vooral de stemmetjes van mijn eigen overtuigingen die me dwars zitten. Iets waar ik me steeds vaker van bewust ben.
Ik werk dus weer. Of ik er geld mee verdien of niet, doet niet ter zake.
Misschien twijfelde ik daarom wel zo aan dat woord. Alsof werk pas waarde heeft wanneer iemand anders bepaalt dat het waarde heeft.
Ik werk. En ik studeer.
Niet aan een hogeschool of universiteit en nee, ik doel hier ook niet op de school des levens.
Ik volg al jaren verschillende studies. Ik hou ervan, van leren. Jaren geleden lukte dat ineens niet meer. Iets met serieuze hersenmist en een allesoverheersende vermoeidheid, maar sinds ik aan de bio-identieke hormonen ben, functioneert mijn brein weer.
Mijn lichaam heeft nog steeds wat last van mankementen, maar ik ben ontzettend dankbaar dat de grijze stof in mijn hoofd niet langer op code zwart staat.
Dat je lijf niet werkt is lastig. Als je brein het af laat weten is dat nog vele malen vervelender.
Zo ervaar ik dat tenminste. Maar ik dwaal af.
Ik onderzoek. Ik studeer. Ik maak. Ik schrijf. Ik geef vorm. En ik leer. Veel.
Vandaag stond in mijn cursus het onderwerp ontvangen op de agenda. Ik dacht dat ik dat wel onder de knie had, ik bedoel zo moeilijk is het niet toch?
Valt tegen in de praktijk.
Ik ben het aan het leren, maar ik kan het nog lang niet altijd. Bij een compliment zit de maar nog altijd in mijn achterhoofd. Dank je, maar… het was in de aanbieding. Dank je, maar…
Ook weer zo’n overtuiging. Die in de weg zit.
Of je kunt ontvangen, hangt voor een groot deel af van je gevoel van eigenwaarde. Denk ik. Voel ik. Mijn gevoel van eigenwaarde stond lang op losse schroeven. Of mijn fysieke gestel daar van invloed op was, of dat het misschien juist andersom was, dat ben ik aan het ontdekken. Toch ook die school des levens.
Denkend over dit onderwerp ontdekte ik een nieuw woord. Zou zo in de dikke van Dale kunnen. Of moeten misschien. Het staat in ieder geval in mijn woordenboek, nu.
Evenwaarde.
Eigenwaarde is al snel gekoppeld aan je omgeving. Aan wat zij van jou vinden.
In mijn geval kwam ik er toch vaak wat bekaaid af.
Ik ben evenveel waard als een ander. Als íeder ander.
Ik plaats helemaal niemand meer boven mij. Geen dokter, geen leraar, geen advocaat en geen president.
Dat heeft niets te maken met een gebrek aan respect. Integendeel. Het heeft alles te maken met respect voor de persoon die ík ben.
We dragen allemaal weleens een masker. Bij mij is er het masker van zelfspot.
De naam die ik mijn blogpagina gaf is daar een overduidelijk voorbeeld van.
Welkom in de wereld van een kneus.
Ik kan er heel mooi omheen praten (en dat doe ik ook). Ik kan de ultieme omdenk-theorie presenteren: Kijken Naar Elke Unieke Situatie.
Maar uiteindelijk is daar de keiharde naakte waarheid achter de naam.
Zelfspot.
Mijn manier om om te gaan met de situatie. Ik lach het eerst om mijn eigen klunzigheid.
Als ik achterover donder (en dat gebeurt nogal eens dankzij mijn beroerde propriocepsis) lach ik als eerste. Ik verbloem de pijn met een grijns op mijn gezicht.
De blauwe plekken verwerk ik in mijn eentje.
Lange tijd is dit hoe ik mij voelde. Een kneus.
Fysiek niet in staat tot de voor een ander normaalste-zaak-van-de-wereld-heden.
Incompetent. Sneu (zonder de medelijdende factor).
Het masker van zelfspot maakte zich steeds meer tot een onderdeel van mijn identiteit.
Tot ik me er bewust van werd. En besloot dat ik dit niet langer accepteerde. Woorden doen ertoe, ook woorden die gesproken worden om dingen lichter proberen te maken, want dat is uiteindelijk wat ik probeerde.
De naam kneus heeft me ook veel gebracht.
Hij viel (valt) op. Hij maakt dat mensen je zien.
Zowel positief als negatief, want hij riep ook veel weerstand op. Inmiddels begrijp ik ook beter waar dat vandaan komt.
Mijn punt, een masker hou je je voor om een deel van jezelf te verbergen.
Ik had dat nodig, toen. En nu neem ik er afstand van.
Ik mag lachen, om mezelf en met mezelf. Ik mag mijn zelfspot behouden. Maar niet langer om me erachter te verbergen.
Ik ben ik. Zoals ik ben. De maskers gaan af. Ik heb ze niet meer nodig.
Ik ga een serie blogs maken, met bovenstaande zin als inspiratie. Omdat dit onderwerp te groot is om in één blog te beschrijven, hak ik het in stukken. De eerste serie binnen deze serie zal gaan over identiteit.
Wie ben ik als ik niet langer ‘de Kneus’ ben?
Uiteraard zijn dit mijn woorden, jij hoeft ze niet zo te voelen. Maar voor mij is het passend. Afscheid nemen van iets dat lange tijd een groot onderdeel was van mijn zijn.
Wie ben ik zonder mijn beperkingen?
Niet omdat ze weg zijn, maar omdat ik ze niet langer alles laat bepalen.
Dus… deel 1.
Voorbij de Kneus.
Ik schreef het gisteren al. Jarenlang hebben mijn beperkingen me stof tot schrijven gegeven. Artsen, therapeuten, hulpmiddelen, nieuwe uitdagingen. Er is altijd wel iets in mijn lijf dat om aandacht vraagt. En daarmee aandacht krijgt.
Wat je aandacht geeft groeit…
Wie ben ik zonder die constante aandacht voor mijn lijf?
Ik ben zo lang gedefinieerd door mijn beperkingen. Door de pijn. Gesprekken gingen vaak over wat ik mankeer. Over hoe ik ermee omga. Hoe ‘knap’ dat is.
Complimenten te over. En ja, dat voelt ergens ook goed. Maar ik ben zoveel meer dan dat. En dat wordt soms over het hoofd gezien.
Met alle goede bedoelingen ben ik verworden tot mijn aandoening.
Het is dubbel. Als mensen liefdevol vragen, raak ik mezelf soms kwijt. Maar als ze niet vragen, voel ik me vergeten. Die balans, die is voor iedereen anders.
Ik wil weer meedoen. Ik wil weer meetellen.
Mijn lijf is een onderdeel van wie ik ben, maar het definieert mij niet.
Als ik heel eerlijk ben moet ik toegeven dat ik daar zelf ook een rol in gespeeld. Die ga ik later onder ogen zien. Maar voor nu kies ik iets anders.
Ik laat mijn aandoening los.
Niet omdat die er niet meer is, maar omdat ik de andere kanten van mijzelf weer ruimte wil geven.
Alles wat ik heb geleerd in de afgelopen jaren neem ik liefdevol mee. De valkuilen. De lessen. De kracht. Ze begeleiden mij op dit pad. Een pad dat ik zélf kies.
Ik laat mij leiden door een bijna kinderlijk enthousiasme. Met een blik vol verwondering stap ik vooruit.
Vandaag ben ik jarig. Vanmorgen heb ik een intentie uitgesproken.
Dit wordt mijn jaar!
Ik heb nu zo’n vijftien jaar langs de zijlijn gestaan (of gezeten, gelegen zelfs).
Vijftien jaar! Dat is lang. Heel lang.
Vijftien jaar heb ik geworsteld. Gestreden met mijn lijf. Me verzet tegen van alles en nog wat.
En toen durfde ik los te laten…
In eerste instantie omdat weerstand me niets bracht. Ik bleef alleen in herhaling vallen. Vind ons brein prettig. Comfortabel.
Ergens, zo’n twee jaar geleden veranderde er iets in mij. Ik begon te voelen. Dat is maf, ik dacht dat al te doen, maar niets bleek minder waar. Ik volgde vooral adviezen over dingen die mij niet dienden. En dát heb ik uiteindelijk los durven laten.
Het was niet altijd makkelijk. Ik ervaarde weerstand (en niet alleen van mijn eigen hoofd).
Maar ik zette ook stappen. Eerst klein, maar ze werden steeds groter.
Ik ging het grotere geheel zien. Durfde steeds meer te vertrouwen op mijzelf. Op mijn eigen benen.
Het vertrouwen in mijn lijf weer op te bouwen.
Dit hele proces was er voor een reden, daar ben ik van overtuigd. En ik zou mijn ervaring graag inzetten om anderen te kunnen helpen. Dat was ook de reden dat ik ben gaan schrijven, tien jaar geleden.
En nu, heb ik het gevoel dat het groter mag. Meer. Zichtbaarder.
Hoe eng en oncomfortabel ik dat ergens ook vind.
Ik ben het afgelopen jaar bezig geweest met iets nieuws. Een traject om mensen die zich (net als ik) aan de zijlijn bevinden weer op weg te helpen.
Als jij voelt dat er meer is. Dat je vastzit in de onmogelijkheden van je lijf. En je durft het aan om buiten je comfortzone te gaan. Dan ben ik je man, eh vrouw.
Stuur me een berichtje, of laat het weten in een reactie. Dan hou ik je op de hoogte van deze spannende ontwikkeling.
Dat zeg ik, dit wordt mijn jaar! En met een beetje geluk ook dat van jou!
Vijftien jaar geleden viel ik uit op mijn werk. Dubbele hernia. Herstellen lukte niet echt, dus ik werd geopereerd aan hernia nummer één. De tweede lieten we zitten.
De operatie, en het herstel dat niet echt ging zoals gehoopt, bleek het begin van een heleboel fysieke ellende. En ook het einde van mijn werkende leven trouwens.
Ik begon aan een nieuw leven. Dat van beroepskneus.
Geen zorgen, ik heb geen geen spijt. Al viel er niet echt iets te kiezen. Ik heb veel geleerd in de afgelopen vijftien jaar. En ik had het, hoe raar dat misschien ook klinkt, achteraf ook niet willen missen.
Nou ja, de pijn wel. En de hulpeloosheid die ik voelde ook. Maar wat het me gebracht heeft? Dat niet.
Ik heb een nieuwe waardering voor het leven gekregen. Ik ben dankbaarder dan ooit.
Ik heb zoveel om voor te leven. Zoveel mooie dingen mee mogen maken. Zoveel hulp ontvangen. En zoveel geleerd over mijzelf.
Dat is ontzettend waardevol. En dat zou ik niet in willen ruilen voor een makkelijker pad.
En dan terug naar het nu, vijftien jaar later. Het voelt voor mij alsof ik weer een beetje terug ga in de tijd. Eergisteren kreeg ik de uitslag van de MRI scan. Weer een dubbele hernia. Bovenop mijn, laten we zeggen, standaard fysieke uitdagingen.
Ik schrok er niet eens zo van. De signalen waren overduidelijk. Ik had van tevoren al aangegeven dat ik er niets aan wil laten doen. Ik wilde het alleen weten. Voor mijzelf. Zodat ik snap waar de pijn vandaan komt, waarom ik soms door mijn benen zak. En er rekening mee kan houden.
Dus daar gaan we weer. Goed op mijn grenzen letten. De zenuwpijn serieus nemen. Balans zoeken. Op tijd rust nemen.
Niet te lang zitten. Stilstaan vermijden.
En luisteren naar mijn lichaam. Écht luisteren.
Ik geloof dat mijn lichaam me iets probeert te vertellen. En deze keer ga ik niet doen alsof ik het beter weet.
Geen Pipi Langkous. Want ik heb dit al eens gedaan.
En deze ezel stoot zich geen derde keer aan dezelfde steen.
Er is werk aan de winkel. Ik ben niet zielig, nooit geweest ook trouwens, ik ben uiterst gemotiveerd. En ik weet inmiddels dat een klein beetje liefde wonderen kan verrichten.