de arts, van ongeloof tot gelovige

Als EDS-ser leer je helaas dat je soms beter op jezelf kunt vertrouwen dan op je artsen. Ik neem je mee naar het begin, een jaar of 30 terug in de tijd. Een onzekere puber met een grenzeloze flexibiliteit (letterlijk). Een puber die van de ene struikelpartij in de andere belandde. Een puber die ‘over de lijn’ ontdekte voor het een tv programma werd door over elke getekende lijn te vallen en ‘en passant’ daarmee haar enkelbanden te scheuren. Een puber die een partijtje rugby met haar kleine broertje (ja, toen was hij echt nog klein) moest bekopen met twee zwaar gekneusde bovenbenen. Die ofwel op krukken liep ofwel met een of ander lichaamsdeel ingepakt in tape of gips. De kneus was geboren!


De artsen behandelden elke blessure zoals ze dat doen, op zichzelf staand. Niemand die eraan dacht dat er wellicht meer aan de hand was. Ik heb een heel scala gezien: de orthopeed (een stuk of 5 denk ik?), de neuroloog (ik verwijs u door naar de psycholoog, uw hernia staat op de scan maar zit tussen uw oren), de reumatoloog (waarvan de assistente gelukkig Willie Wortel’s lampie had geleend en eindelijk the bigger picture zag) en last but certainly not least, de revalidatie arts… Een ver van empathisch stuk vreten dat mijn zelfvertrouwen in één enkele zin heeft verwoest. De beste man zei letterlijk: ‘u bent een beetje hypermobiel, net als heel veel andere mensen en u moet zich niet zo aanstellen’. Mijn broek zakte me af, had ik eindelijk een passende diagnose, kreeg ik dit, serieus? Ik, als nog onzeker guppie, nam zijn advies en ging trainen. En nog harder trainen, maar ik ging alleen maar achteruit, dank je wel dok, echt goed gedaan!


Later leerde ik dat mijn aandoening zo weinig voorkomt dat artsen simpelweg niet weten wat er allemaal bij komt kijken. Dat ze ons ‘zebra’s’ alleen tegen komen bij dr. House (al heeft hij lupus geloof ik op nummer 1 staan). Toen ik eenmaal het gele boekje had aangeschaft (de ‘EDS bijbel’) ging er een wereld vol oh’s en aha’s voor me open. Een wereld vol herkenning, eindelijk snapte ik waarom mijn lijf zo anders reageerde dan ‘normaal’. Ik ben een reptiel, schreef ik ooit een een gedicht, het is echt zo, mijn lichaamstemperatuur is geen standaard 37, maar een 35,7. Koorts is een zeldzaamheid, kom ik boven de 37 dan is het mis, maar peuter dat die eigenwijze artsen maar eens aan het verstand. Nee hoor mevrouwtje, koorts is bij 38 graden. Tja, bij jou wel ja.


Zo was er ook ooit een verpleegkundige, er moest gips van mijn arm gehaald worden met zo’n apparaatje wat lijkt op een zaag. Ik zeg, dat doet pijn, mevrouw zegt, nee hoor, dat kan niet en ik zit met het litteken als bewijs dat het wel degelijk kan. Eigenwijs volkje in sommige ziekenhuizen…


Gelukkig heb ik ook één super arts, mijn huisarts, die zich wel in mij wil verdiepen (eh in mijn situatie dan he, dat we geen rare verhalen krijgen), mijn door mijzelf gebombardeerde zorgmanager. Hij denkt mee op alle fronten, verbindt de hyperdebiele lijntjes voor mij, behoudt het overzicht èn het allerbelangrijkst, hij luistert naar mij, want zoals hij zegt, jij weet beter wat er mis is met jou dan wij artsen.


Hij heeft mij geholpen de stap te maken van ongeloof naar gelovige, gelovige in mijzelf!

rolstoelperikelen

Ooit, een paar jaar geleden, meldde ik mij aan op het kneuzenforum (zo noem ik de EDS club). Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met ‘EDS-sers in wheelchair’. Ik begon wel wat ‘meer dan normaal’ gekrakkemik te vertonen, maar vond dat ik mij nog prima te voet kon voortbewegen. Dat het met steeds meer gehinkepink en pijntjes begon te gaan, dat mijn knietjes steeds harder gingen kraken en mijn voeten gingen klappen in plaats van mijn handen, dat alles schoof ik maar aan de kant. In mijn koppie ging het nog best, ik kon nog prima naar het bos (ach 5 km haalde ik toch wel, om vervolgens na 1 km al de arm van manlief te grijpen en vooral door te gaan…) en hardlopen kon ik ook (als een kreupele eland, dat wel).


Maar goed ‘EDS-sers in wheelchair’, dat ging bij mij dus niet gebeuren, toch? Na mijn hernia operatie liep ik kilometers in het kader van therapie. Als er op het lijstje stond 1 uur liggen, 1 uur lopen, dan deed ik dat, pijn of geen pijn, niet aanstellen, doorgaan. En íeder uur, hele einden buiten, oneindige rondjes in de woonkamer (sporen in de vloer, nou bijna). Dat mijn knieën dit niet zo fijn vonden merkte ik steeds vaker, maar we zullen doorgaan, heupen in protest, boeien, gewoon verder, goed voor je rug! Tot de fysio toch inzag dat dit niet zo goed ging en me halt toe riep. Wat nu? Revalideren!


Op naar Klimmendaal (waar ik meer daalde dan klom). Tijdens een dagje dierentuin viel het kwartje, dit gaat niet meer, shit, moet ik dan toch in zo’n verrekte stoel met wielen? Op Klimmendaal waren ze wel blij met dat kwartje, de tijd was er rijp voor, mevrouw eigenwijs in persona snapte eindelijk dat het nodig was en de aanvraag werd in werking gezet. Eerst een kneuzenstoel van formaat bejaardentehuis (mensen, snappen jullie echt niet dat dat niet bepaald drempelverlagend werkt?), later mijn geliefde, sportieve, oh zo mooie witte Quicky mèt elektrische wielen, èn storing… Mijn emotionwielen bleken net zo chaotisch als ikzelf en net zo twijfelachtig, het was net een quiz, doet ie het of doet ie het niet… Terug naar de leverancier en weer terug naar mij, en weer naar de leverancier… En ik, ik werd geduwd…


Mensen zonder rolstoel kunnen denk ik niet begrijpen waarom wij in die stoel er zo’n pesthekel aan hebben geduwd te worden. Ik zal het uit proberen te leggen, stel je rijdt langs een winkel en ziet iets leuks, dan moet je aan je duwhandlanger duidelijk maken dat je daar even wilt kijken. Je begint met een niet te hard, wil je even stoppen om te eindigen met een bijna schreeuwend, hé, ik wilde ff kijken (inmiddels in de verleden tijd voor de goed oplettende lezer)! Waarop iedereen jou aankijkt in plaats van jij het ding wat je 200 meter geleden in de etalage had gezien.


Opstaan uit je rolstoel wordt ook bewonderd als een ‘godswonder’, kijk, het staat! Eh, jaaaaa een wonder! En, het kan lopen! Niet iedereen in een rolstoel is verlamd. We kwamen laatst uit de bioscoop, ikke lopend (ok, ietwat wankelend als een jong hertje dat net op z’n wiebelpootjes staat, want na zitten in zulke stoelen is mijn coördinatie niet je van het), steunend op de stoel (doet prima dienst als luxe, hippe rollator) om te worden aangegaapt als George Clooney bij de Hema, echt wat een aandacht kun je genereren. Maar ik zit (eh sta in dit geval) daar niet echt op te wachten. Mensen zijn bijzondere wezens…


Geduwd worden in een rolstoel ontdoet je gevoelsmatig van een enorm deel zelfstandigheid, alleen al het omhoog zetten van de handvatten doet de rillingen over mijn rug lopen. Pak ook vooral niet ongevraagd in het kader van, maar ik wil je helpen, die rolstoel over, daarmee pak je namelijk de regie uit onze handen en dat wordt (in ieder geval door ondergetekende) niet gewaardeerd. Een lesje rolstoeletikette voor duwers.


En dan komt het moment dat je schouders bij iedere draai aan je emotions-op-hoogste-stand hun eigen weg bewandelen, je rug zich niet langer in de mooie rechtopzittende leuning laat persen en je spieren denken zoek jij het lekker uit verder, ik ga onderuit. Het moment dat je lijf verzint dat er nog best een drempel bovenop je wagenpark van rolstoel en scootmobiel kan. Het moment dat de leverancier zegt dat een gewone rolstoel met pookje (toch net iets minder dramatisch in je hoofd) niet geschikt is voor jou. Het moment van het grootste monster in je hoofd, de ELRO…


Elro staat voor ELektrische ROlstoel (welkom in het genootschap der bekend zijn met de afkortingen van de kneuzen), in mijn koppie was dit toch echt het dieptepunt, hoe dan, een stoel met een pookje, ik wilde geen pookje, nooit niet! Een flashback naar dat moment dat ik mij inschreef bij de kneuzenclub, mijn gedachte zover komt het niet bij mij. En dan in 4 jaar tijd, van lopend naar liggend en in een elro…


En nu? Nu is die vervloekte elro mijn vriend, ben ik blij met de heerlijk verende, achteroverkunnende zwart lederen stoel, blij met mijn eigen racemonster (ok, iets meer tempo zou fijn zijn soms). Ik schrijdt vooruit, haren in de wind, smile op m’n smoel, want ik kom weer buiten, roep mijn voorbijgangers vriendelijk gedag. Mensen kijken me na, ik verbeeld mij maar dat het de opvallende verschijning is, het nog lang niet bejaarde blondje, in haar race mobiel, lachend en genietend van het leven.


Haar leven in die vervloekte stoel met een grote lach op haar gezicht, this is my life and I’m living it, in the best way I can!

wie ben ik

Tja, ik kan er lang of kort over lullen, het is hoe het is. Toen ik nog revalideerde op Klimmendaal kreeg ik van mijn ergotherapeute op mijn kop als ik zei dat ik een kneus was. Volgens haar typeerde het niet de persoon die ik ècht ben. Ik ben meer dan een ‘fysieke uitdaging’.

Dat klopt, ik ben veel meer dan dat; ik ben een creatieve, enthousiaste, optimistische, fanatieke, voor-iedereen-klaarstaande (als het lukt, dat dan weer wel) vrouw met toevallig een lijf dat niet de kant uit wil die ik graag uit zou willen. Een fysieke uitdaging dus. Een uitdaging met een sterke eigen wil. Een wil die me jaren op de been heeft gehouden, maar die tegelijkertijd ook mijn allergrootste valkuil is gebleken. Ik ga door tot ik erbij neerval, letterlijk.
Maar…

Er zijn die dagen, de dagen dat de pijn het niveau donkerrood bereikt, de dagen dat je na inspanning van één minuut al total loss op je bed terug ploft en weet dat dit ‘m weer eens niet gaat worden. De dagen dat je hoofd een en al watten en zaagsel is, door de hogere dosis morfine, door het gebrek aan een nacht doorslapen omdat je kop juist in de nacht een mega massa aan ideeën moet spuien waar je weer niks mee kunt op dat moment. Die dagen, dat je niet eens in staat bent een fatsoenlijke maaltijd te bereiden voor je gezin en je jezelf er weer op betrapt dat je Domino’s niet kunt missen, dat een boterham smeren echt teveel gevraagd is. Dat je als een autist op het toilet heen en weer schudt omdat je niet meer weet waar je het zoeken moet van de pijn. Op die dagen is dit hoe je je voelt, een kneus, niet in staat om mee te draaien in wat, de ‘normale’ wereld? Nee, niet in staat om zelfs mee te draaien in je eigen beperkte wereld. De wereld van een kneus is je zelfs dan teveel en that sucks, a lot..

‘ooit was ik een kneus’

Er heerst wat ongemak bij sommige mensen over de titel van mijn blog. Nu is het natuurlijk míjn blog, maar ik schrijf ook om het voor lotgenoten enigszins herkenbaar te maken, hen te laten voelen dat ze niet de enigen zijn die tegen sommige dingen aanlopen. Ik wil geen mensen kwetsen, dus ik leg graag even uit hoe en wat.

Zoals de titel al zegt, ooit was ik een kneus, of misschien beter gezegd, ooit voelde ik mij een kneus. Ik was een jaar of twaalf denk ik toen mijn fysieke problemen zich lieten zien. Eerst voorzichtig, vaak blauwe plekken en onhandigheid (ik struikelde over werkelijk iedere lijn, aanwezig of niet). Vervolgens scheurde of verrekte ik alles wat je maar kon verzinnen; enkelbanden, kniebanden, schouderpezen, hamstrings, chronische ontstekingen; algehele kneuzerigheid noemde ik het. Stapte ik op de fiets, zette ik mijn voet verkeerd op de trapper en ik had weer een scheur in een band (van m’n knie, niet m’n fiets…). Ik voelde mij dus best een kneus, ik had altijd wat, krukken en gips (of tape) waren mijn beste vriend.

Sporten moest ik al snel met braces en ik versleet verschillende sporten in mijn zoektocht naar de minst blessure gevoelige (maar ik kreeg het steeds weer voor elkaar, ik flikkerde zelfs met gewoon lopen over de rand van de stoeptegel), geen sport bleek bestand tegen mijn lijf (of andersom). Het kneuzengevoel werd er niet beter op, ik heb zelfs bij mijn tweede sollicitatiegesprek aangegeven (toen was ik 21 ofzo) dat ik nogal blessuregevoelig was (eerlijk mensje ben ik). Dat bleek ook toen ik uitviel met een dubbele hernia op jonge leeftijd, terwijl tillen en ik nooit een goede combi waren en ik dus nooit meer tilde dan een stapeltje papier of het telefoonboek (zo’n dik boek met telefoonnummers voor de jongere lezer).

Kneus dus, zo stelde ik mij voor bij de bedrijfsarts, of bij de specialist: ‘hallo, ik ben Martine en ik ben een kneus’. Jaren heb ik dit volgehouden, tot ik een gesprek had met de ergotherapeute op Klimmendaal. Ikke weer met mijn openingszin en zij zei: ‘dat wil ik nooit meer horen! Je bent geen kneus, maar een mooi mens’… Dat was voor het eerst dat ik het zo bekeek, ze had me bijna in tranen (bijna hè).

Gek genoeg koppel ik mijn kneuzengevoel niet eens aan iets negatiefs, slechts aan een fysieke realiteit, mijn lijf is nu eenmaal niet zo stabiel. Qua hoe het functioneert en qua op kunnen vertrouwen (en bouwen). Gelukkig compenseer ik dat mentaal en qua afweersysyeem, want ik ben zelden ziek, mijn ziekteverzuim was wat dat betreft prima, alleen áls ik wat had was ik meteen goed de lul, een hernia is niet met een weekje genezen en bij mij al helemaal niet. Tel daar mijn sterk grensoverschrijdende gedrag én het feit dat ik het niet wist en me weigerde ziek te melden bij op en de foute combinatie was geboren. Doorgaan tot je erbij neervalt, letterlijk en dat is niet zo over.

 

Dat is waarschijnlijk ook de reden dat ik totaal geen negatieve associatie heb met het woord ‘kneus’, ik voel mij mentaal geen kneus, integendeel juist, ik ben mentaal best heel sterk. Maar fysiek ben ik realistisch, ik heb nu eenmaal een kneuzenlijf, kan ik niks aan doen, ik doe mijn best, roei met de riemen die mij gegeven zijn. Ik hou van een beetje humor en ik vind de titel mij op mijn kneuzerige lijf geschreven.

Dus… deze kneus is een mentale power vrouw, met een b-lijf (eh niet in elk opzicht gelukkig) en weet je wat, ik ben er trots op, want ik red me er maar mooi mee!

Welkom in de wereld van een ‘kneus’!