Aanstelleritus

Het is zo’n dag, gister te lang op, vandaag is dus prut. Met een mist waar ik niet doorheen lijk te kunnen prikken probeer ik dan maar een beetje tv te kijken, heb zat in te halen. Op het programma staat nu ‘het roer om’, altijd leuk, mensen die hun droom waar maken of het in ieder geval proberen.

Ik heb onwijs veel respect voor de man van deze aflevering. Na een motorongeluk met heel veel breuken, pinnen en letsel heeft hij opnieuw leren lopen en gaat hij nu voor zijn droom. Hij heeft pijn, maar zet door, een topper!

En dan komt in mijn hoofd weer dat stemmetje boven, dat stemmetje dat vraagt of ik me niet aanstel, of ik niet overdrijf. Of ik niet toch weer moet proberen, iets meer moet geven. En ik weet best dat het met mijn aandoening anders werkt. Ik moet mezelf niet vergelijken met een ander, zelfs niet met een lotgenoot omdat EDS zich bij iedereen anders manifesteert. En toch lijken mijn hersenen dit anders te interpreteren, ze blijven me pesten met zulke vragen.

Waarom is dat toch, waarom kan ik me mentaal zo slecht neerleggen bij iets dat ik gevoelsmatig toch al geaccepteerd heb? Waarom dat vergelijken? Ik denk dat het er hier in onze samenleving ingebakken zit. Als een ander het kan, kun jij het ook. Maar het is appels en peren, het is niet zo simpel. Hoe vaak ik niet gehoord heb ‘ik heb artrose, je moet gewoon bewegen’ of ‘van liggen wordt je niet beter, rust roest’. Ja, het zal en toch kán ik niet anders. Mijn lijf heeft het wél nodig (hoor je me mezelf overtuigen) en geloof me dat vind ik erg moeilijk

Het blijft lastig, het went nooit. Het scheelt dat zelfs de held van het roer het moeilijk heeft en tijdelijk af moet haken vanwege pijn en stijfheid. Ook hij blijkt een mens en moet luisteren naar zijn lichaam. Ik moet dat ook, mijn lijf schreeuwt maar mijn hoofd schreeuwt harder. Jaren heb ik mijn lijf genegeerd, ik luister steeds vaker. Ik leer nee zeggen, leer beter plannen, leer rekening houden met. En af en toe luister ik naar mijn overschreeuwende hoofd. Soms moet dat, soms moet je even iets doen om mentaal gezond te blijven, soms zijn grenzen er om ze te overschrijden. 

Ik kan in elk geval.concluderen dat ik niet lijdt aan aanstelleritus. Ik kan concluderen dat ik het goed doe te luisteren en toe te geven aan de grillen van mijn lijf. En mijn hoofd, past zich steeds een beetje beter aan.

Ambitie

Wie had vijfentwintig jaar gedacht dat mijn leven er zo anders uit zou komen te zien. Ik was ambitieus en voorzag een mooie carrière voor mezelf. Ik heb veel opleidingen gedaan, een lading ervaring opgedaan, nooit rekening houdend met mijn fysiek zwakke gestel. Had ik kunnen voorzien dat mijn bed mijn basis zou worden? 

De echte problemen begonnen al in de pubertijd; enkels, knieën, polsen en onderrug. Chronische peesproblemen wisselden elkaar af, evenals orthopeden. Nooit heb ik gedacht dat dit een serieus probleem zou opleveren. Ook niet na mijn tweede WAO (af)keuring. Ik bleef vechten voor een carrière, bleef omscholen en bijscholen.

Op vakantiefoto’s zie je mij al jong met braces, knietjes in de steigers en polsen met versteviging. Ik hield van wandelen, maar berg af kon ik op mijn 25-ste al niet meer. Geen probleem, dan lopen we wel berg op, doen wat je wél kunt leerde ik al vroeg. Denken in mogelijkheden, niet in problemen. 

Helaas stapelden die problemen zich wel op, de schouders wilden er letterlijk niet meer onder, ze bleken te zwak, fysiek in elk geval. Al voor mijn dertigste bleek rechts slijtage te vertonen, met meer en meer sub-luxaties en peesontstekingen als gevolg. Computerwerk werd lastig, geen handig gevolg voor een vormgever. Daarna gooiden de handen ook de handdoek in de ring, jammer als fotograaf. Het niet kunnen zitten gaf de doodsteek aan mijn werkende leven. 

Toch blijf ik denken in mogelijkheden, mijn hoofd draait door en daaruit komen ideeën. Het zijn er alleen zoveel… Ik heb moeite met de uitwerking, het is één grote chaos en daarin probeer ik een weg te vinden. Ik probeer kansen te creëren, ik schrijf nog steeds naar alles en iedereen die ik kan bedenken om aandacht te genereren voor EDS en ik probeer mensen bewust te maken van het feit dat een beperking je niet minder mens maakt. Ik probeer op mijn manier het verschil te maken. 

Ik ben nog steeds ambitieus, ik doe wat ik kan met mijn eigen mogelijkheden. Ik heb inmiddels wat dingetjes lopen, ik mag misschien blogger worden voor een groot platform, ik ben dan wel niet langer werkend, maar dat wil niet zeggen dat ik geen prestatie drang meer heb. Ik wil mijn steentje bijdragen, ik wil ook meetellen en ik wil naam maken. Ik ben en blijf een ambitieuze kneus 😉!

#metoo

Heel veel mensen hebben onder #metoo de wereld laten weten dat ze op de een of andere manier te maken hebben gehad met ongewenste intimiteiten. Het is niet ok, mensen (mannen én vrouwen) horen hun handen thuis te houden. Ik denk dat het vaker voorkomt dan je denkt en ik weet ook hoe dun het lijntje is. Het is hoe dan ook een probleem en het verdient een oplossing.

#metoo, ja, ook ik heb helaas ervaring hiermee. Geen namen, dat vind ik niet nodig. Laten we het erop houden dat er sprake was van een vorm van machtsmisbruik, al was het waarschijnlijk niet eens zo bedoeld. 

Ik geef een paar ‘onschuldige’ voorbeelden. Als jonge en onzekere vrouw is het lastig nee zeggen als iemand van hogere rang meer van je wil dan alleen maar werk. Zeker als diegene na meerdere duidelijke afwijzingen aan blijft dringen. Je vraagt je af of het je je baan gaat kosten, je voelt je niet veilig meer op de werkvloer, het is gewoon vervelend. En het is niet eerlijk, je voelt altijd een innerlijke strijd, waar kan ik heen, zullen ze me wel geloven en overdrijf ik niet? 

Ander voorbeeld, je loopt in de stad en krijgt een tik op je billen, of wordt ongevraagd bij je achterwerk gepakt, het lijkt onschuldig, maar je voelt je op z’n minst ongemakkelijk. Een collega maakt opmerkingen over je figuur, is dit ok of gaat het te ver? Ik denk dat het afhangt van de situatie, van de een kun je nu eenmaal meer hebben dan van de ander. Bij de ene collega weet je dat het kan, bij de andere krijg je een vervelend gevoel. 

Ik begrijp best dat dit lastig is, verwarrend ook. Hoe weet je bij wie je wat kunt zeggen? Het is een gevoel en niet iedereen weet feilloos op te pikken hoe ver je kunt gaan. Sommige mensen missen die antenne. Ook op scholen is dit lastig, ik had meiden in mijn klas die serieus hun knoopjes van hun bloesje ietsje verder open knoopten als ze iets nodig hadden van de leraar (niet dat daar nu veel te zien was, maar toch). Dit soort dingen kwam echt niet in mij op (had daar ook niet bepaald het figuur voor vroeger), later wel, ik moet eerlijk bekennen dat ook ik best eens mijn charmes in de strijd gooide als ik iets nodig had van een mannelijke collega. 

Waar ligt de grens? Ik denk dat we allemaal gebruik maken van onze charmes en ja, als je er goed uit ziet is dat iets makkelijker. Toch heeft dat ook een keerzijde, je loopt ook meer risico dat mensen je verkeerd begrijpen of dat iemand meer van je wil dan dat jij wilt geven. En dan is daar het meest krachtige woord dat we kennen, een woord dat de daad (of dat nu de hand op je achterwerk of iets anders is) in één enkel ogenblik moet stoppen; nee.

En dat is waar we in de opvoeding meer aandacht aan moeten besteden. Bij jongens én bij meisjes, nee is nee. Wanneer het gezegd wordt maakt niet uit, nee is een grens aangeven. We moeten ze leren dat je je grens mág aangeven en we moeten ze leren de grenzen van een ander te accepteren. Gaat iemand te ver, dan zeg je nee. Voelt iemand de grens niet aan, dan zeg je nee. En je luistert naar de grens van die ander. 

We leven in een maatschappij waarin alles maar moet kunnen, waar we constant geconfronteerd worden met onze mogelijkheden. Maar het wordt tijd dat we ook gaan letten op onmogelijkheden, rekening houden met de ander. Laten we dat onze kinderen bijbrengen, laten we ze laten opgroeien met beide kanten van het leven. 

#metoo, het heeft mij sterker gemaakt, een zeer wijze les geleerd. Maar het heeft me ook veel onzekerheid gekost, ik heb getwijfeld over mezelf, maar ik was geen schuldige, het is me overkomen. Het heeft me mijn onbevangenheid ontnomen, het maakt je anders in je omgang met mensen en dat is jammer. Het moet veranderen, dat is zeker, dus deel je verhaal en laat de wereld weten dat het vaker voorkomt dan je denkt.

Langs de zijlijn

Leven met een uitkering, veel mensen hebben er een mening over. Het is ook een groot punt van (ver)oordeling, lees maar eens de reakties op veel berichten, de ‘uitkeringstrekkers’ zijn lui en willen een makkelijk leventje op kosten van de werkende bevolking. Ik schets hierbij maar eens even een realistisch beeld van één van deze uitkeringstrekkers, van mij…

Drie jaar geleden werd ik voor de derde keer afgekeurd. Ik leef met een lijf dat niet geschikt is om te werken, nu ook (weer) officieel bepaald door de heren en dames van het UWV. Er zijn geen banen te vinden die ik kan uitvoeren met mijn beperkingen. Nog steeds vind ik dit moeilijk, ik mis mijn collega’s, ik mis mijn werk, maar vooral mis ik het gevoel deel uit te maken van deze samenleving. Ik lig langs de zijlijn, ik tel in veel opzichten niet mee. 

Vooral dat laatste doet pijn, ik heb niet gekozen voor mijn aandoening, ik heb er nooit voor gekozen niet meer te kunnen werken. Ik denk dat mensen die zo makkelijk roepen dat de uitkeringstrekkers lui zijn en gewoon niet willen werken geen idee hebben van deze achterliggende pijn. Buiten het feit dat je moet leven met een lijf dat niet doet wat jij wilt, buiten het feit dat je moet leven met de bijbehorende pijn moet je ook nog leven met de veroordeling van de werkende mens. ‘Je kunt toch wel íets doen?’, lang gaf deze vraag mij een schuldgevoel. Ik kan wel iets, ik kan een uurtje per dag overeind zijn (daarin valt ook de koffie met een vriendin) én ik kan met een beetje mazzel koken. Zou ik dat ene uurtje gaan werken dan zou niet alleen de rest van mijn dag voor mij niets meer zijn, er speelt nog iets, wie zit er te wachten op iemand voor een uurtje, die niet eens áltijd dat uurtje iets kan.

En toch speelt dit in je hoofd, altijd dat schuldgevoel naar jezelf. Je doet niet mee, je staat aan de zijlijn en je voelt je daar ronduit k*t over. Werken loont, dat weten wij arbeidsongeschikten als geen ander. We leverden allemaal enorm in, niet alleen financieel, maar misschien nog wel meer op sociaal vlak. Ik zou nooit gekozen hebben voor deze optie als ik een keuze had gehad. Zou ik nog kunnen werken is niet langer een vraag, het kan niet, het gaat niet, het is klaar. Ik lig langs de zijlijn en vecht op mijn eigen manier voor mijn bestaansrecht. 

Ik wil ook meetellen, ik vind dat ik ook recht heb op mijn plaats in deze maatschappij. Ik wil niet gezien worden als een uitkeringstrekker! Ik ben een deelnemer, ik heb altijd gewerkt voor mijn geld, ik ben blij met het vangnet, maar ik maak me zorgen over de toekomst. Deze maatschappij draait om geld, op geld. Mensen doen er niet langer toe. Wij chronisch zieken zijn lastig, zijn een last en dat verdienen we niet. Ik denk dat niemand (al zullen er altijd een paar uitzonderingen zijn) kiest voor een uitkeringssituatie en ik hoop dat mensen eens nadenken voordat ze zo makkelijk oordelen over iets waar ze geen moer van weten.

Kwetsend taalgebruik

Ik las een blog over de verandering van het taalgebruik ten aanzien van mindervaliden, gehandicapten, beperkten of hoe je het dan ook noemen wilt. De naam die ik mezelf geef is vanuit dat oogpunt natuurlijk helemaal ‘not done’. Het gaat erom dat we een minder kwetsend taalgebruik aan zouden moeten leren.

Ik ben het hier niet mee eens. Ik bedoel, linksom of rechtsom, ik heb een beperking, eentje die opvalt door mijn gebruik van de verschillende hulpmiddelen. Ik ben dus ‘anders’, dat is een feit en dat boeit me ook niet. Waarom zou het? Ik ben een mens met een beperking, ik bén niet mijn beperking, maar ik heb hem wel. Wil ik meedraaien in de maatschappij? Ja! Natuurlijk wil ik dat! Maar ik kan door mijn beperking niet alles. Mensen zullen dus rekening moeten houden met mijn verminderde mogelijkheden.

Dat geeft niet, niemand is hetzelfde, niemand is perfect, we zullen moeten leren rekening te houden met elkaars plus- en minpunten. En ik denk niet dat dat zozeer zit in taalgebruik an sich (eh, misschien wel in de toon van dat taalgebruik), ik denk dat het zit in respectvol met elkaar omgaan. Het zit in gedrag, in hoe je kijkt naar de ander, hoe je omkijkt naar de ander. Iemand zonder beperking is niet beter dan ik (of als mij 😉), ik ben niet minder, ik ben ánders.

Dus ik blijf lekker roepen dat ik een kneus ben. Een leuke kneus, een vriendelijke kneus, een slimme kneus, een kneus met haar eigen talenten. En of je me nu gehandicapt vindt, beperkt noemt of mindervalide, het zal me een worst wezen; als je me bovenal maar ziet en behandelt als mens!

K.N.E.U.S

Het heeft wat discussie gegeven, de naam van mijn blog. Er zijn de mensen die het begrijpen en de mensen die het niet begrijpen. Er zijn mensen die vinden dat ik mijzelf tekort doe door mezelf als kneus te bestempelen en er zijn mensen die zich afvragen waar ik het lef vandaan haal hen als kneus te bestempelen. Dat laatste zegt meer over de persoon in kwestie dan over mij vind ik; dat ik mezelf een kneus noem is een vorm van zelfspot, met een snufje sarcasme. Ik neem mezelf niet altijd zo serieus (waarmee absoluut niet gezegd is dat mijn beperkingen dat niet zijn of dat ik mijn pijn daarmee bagetalliseer, die zijn echt en ook echt wel serieus), ik kan er zo nu eenmaal beter mee omgaan.

Als je het woord ‘kneus’ opzoekt op het internet  (woordenboek is ietwat te zwaar voor mijn handjes) kom je tot de volgende vertaling(en): 

1) Beetje zielig persoon – tja dat klopt eigenlijk wel, er zijn zat mensen die medelijden met mij hebben (overigens compleet onnodig, ik kan mij best redden, medeleven mag, medelijden liever niet).

2) Beschadigde plek – klopt ook, plekken zelfs, in veel, meervoud, er zijn meer beschadigde plekken op en in mijn lijf te vinden dan onbeschadigde vermoed ik.

3) Beschadigde vrucht – dat zal ik dan zijn, een fysiek beschadigd vruchtje, al in aanleg, ach beter zo dan in de andere betekenis (van ‘bijzonder’ vruchtje, al ben ik dat volgens sommige mensen waarschijnlijk ook).

4) Beurse plek – zie uitleg beschadigde plek.

5) Een van die vogeltjes was niet best – (serieus gevonden!) eh ja iets als dat vruchtje?

6) Gekneusd ei – ok, nu worden we ietwat beledigend, terug naar het vruchtje dan maar.

7) Klungel – ik denk dat groep twee zich aan deze benaming stoort, ik ben slechts realistisch; iemand die geen deurpost kan passeren zonder opstootje te veroorzaken…

8) Kluns – ik ben het, van de firma Kluns & Klungel.

9) Kneuzing – ook die zijn mij niet vreemd.

10) Knuppel – nee, die ligt meestal thuis, matcht niet met mijn Alex. 

11) Letsel – in ruime mate aanwezig.

12) Mislukkeling – worden we persoonlijk? Alhoewel… eigenlijk heb ik me best zo gevoeld.

13) Mislukt iemand – moeilijk he, originaliteit.

14) Persoon die niet goed mee kan komen – dat is een feit, ik rij meestal ergens achteraan (kan ik de rest op de hakken rijden).

15) Slechte auto – nee hoor, ik heb een prima exemplaar op maat.

16) Slechte tweedehands auto – een echte Mercedes met dank aan de heren Ehlers en Danlos.

17) Sukkel – sukkeldrafje? Nee, daar doe ik niet meer aan, ik rij liever.

18) Slecht exemplaar – we vallen in herhaling (brainfog zeker?).

Is de benaming van mijn blog zo wereldschokkend? Ik vind hemzelf aardig realistisch; ooit voelde ik mij een kneus, inmiddels ben ik gepromoveerd, in verband met de komende 27 april kroon ik mijzelf maar tot ‘Koningin der Kneuzen’ (met hoofdletters én kroon). Ik ben dus realistisch, met enige zelfspot. Het leven is nu eenmaal soms hard, de dingen zijn mooier als je ze meteen lach kunt bekijken.

Maar voor de mensen die er moeite mee hebben, bekijk het eens van een andere kant, omdenken noemen ze dat geloof ik; denk van nu af aan maar aan deze ‘K.N.E.U.S’ Kijkend Naar Elke Unieke Situatie. Het past tenslotte zoals het meet 😉.

vermist

vermist

En daar gaan we weer, langzaam verdwijnen mijn gedachten in een dikke mist. Ik voel hem aankomen, hij verdrijft alles, is te sterk om te negeren. Nog een minuut of vijf en ik ben volledig overvallen…

Ik baal ervan, moet ieder woord meerdere keren typen, blijf corrigeren en ruzie maken met de auto correctie op mijn telefoon. Ik lijk gewoon niet in staat de juiste toets aan te slaan, pak steeds net de verkeerde. Wil iets schrijven maar door het corrigeren ben ik de logica in de zin alweer kwijt. Ik typ dus de helft om vervolgens een nieuwe zin te kunnen gaan bedenken.

Waarom dan toch schrijven? Omdat ik het wil, ik wil niet verdwijnen in de mist, een mist die zo dik is dat iedere vorm van communicatie onmogelijk wordt, het volgen van een serie of film niet te doen is, zelfs nadenken lukt niet. De watten nemen langzaam de lege ruimte in je hoofd in en verspreiden zich dan. Je vervaagt, je zicht vervaagt, je denken vervaagt.

Hij komt, hij neemt over en laat je achter in het diepe niets, je kunt ertegen vechten, maar je verliest. Je probeert zo lang mogelijk je kop erbij te houden, maar het gaat je niet lukken. Meer fouten, meer ruis, meer vlekken voor je ogen, je vecht, maar zult falen.

Ik ga, ik stop (voor even), ik laat me overvallen, ik geef me even over, eventjes ben ik vermist…

propriowattes?

Proprioceptie, mooi woord is het. Ooit van gehoord? Niet iedereen kent het, het betekent zoiets als weten waar je ledematen zich bevinden in de ruimte en inschatten hoeveel kracht dingen kosten. Niet zo moeilijk, althans zo lijkt het, maar zo simpel ligt het niet, niet bij ons hyperdebieltjes in ieder geval.

Ik had er nooit bij stilgestaan, moest tijdens mijn revalidatie traject een testje doen hoe het met mijn proprioceptie gesteld was. Eerst kijken en dan met mijn ogen dicht bekertjes in elkaar zetten. Ik greep verkeerd. Ook bleek ik niet zonder te kijken te kunnen voelen waar mijn voeten zich bevonden. Ja, aan mijn lijf, maar hoe en in welke richting, no clue. Ik bleek een belabberde proprioceptie te hebben.

Gefeliciteerd, u gaat door voor de wasmachine. Deze beroerde stand van zaken blijkt te horen bij mijn aandoening. Het betekent ook dat ik niet voel dat ik de uiterste stand van mijn gewricht bereikt heb en aangezien die stand ook nog eens een graad of tien verder is dan bij de ‘normaal’ gebouwde mens kan dit problemen opleveren. Ook daar heb ik nooit echt bij stilgestaan. Mijn duimen kunnen een hoek halen waar monden van open vallen, eigenlijk nooit last van gehad. Niet qua pijn in elk geval, kracht zetten met een duim die zover doorbuigt is wel onhandig. Qua knieën geeft het meer problemen, buiten dat ze dus de grenzen te buiten gaan, doet het inmiddels ook pijn. Dat is dus de consequentie van het letterlijk de grenzen voorbij gaan. En aangezien ik het niet voel moet ik steeds naar mijn klutsknieën kijken om te zien waar ze zijn, of in ieder geval in welke hoek ze staan. Dat is een baan op zich, het blijft namelijk niet bij de knieën, al mijn gewrichten vliegen wat dat betreft ruim uit de bocht.

Als ik lig moet ik checken of mijn voeten niet gek doen, als ik zit knel ik ongemerkt mijn knietjes tegen elkaar, in een wanhopige poging tot steun. Ziet er geweldig uit overigens, zeer charmant! Tijdens het autorijden valt het pas echt op, met x-benen hou ik alles onder controle, terwijl ik ondertussen mijn schouder bij- en in elkaar plop.

Proprioceptie, of het gebrek eraan, zorgt er ook voor dat we sneller struikelen. We tillen soms onze voeten net niet genoeg op, we kunnen voor de gemeente gaan werken, controle afdeling, iedere fout gelegde stoeptegel geeft extra kans op een struikelpartij. Kijk dan beter uit je doppen, hallo moet al op mijn knieën letten, ik til mijn voet toch op. Glazen die net niet in de kast komen, maar tegen het randje van de kast, borden die toch net niet helemaal op tafel staan, deurposten die altijd te smal.zijn en tafels en bedden die niet zachtzinnig in aanraking komen met een punt op je bovenbeen of tenen.

Je weet toch dat hij er staat?! Eh ja, maar hij liep net een centimeter naar links, ik zweer het! Proprioceptie is een venijnig dingetje, zeker het gebrek eraan. Ook hier moet je mee leren omgaan, het is een puntje van ergernis op de lange lijst van verwante, vervelende eigenschappen van de ‘hypermobiel’. Maar in één ding kan ik je geruststellen, het hoort erbij, je beeld het je niet in en je bent geen miskleun. Voor ons is het altijd oppassen, uitkijken en ja helaas soms struikelen, vallen en weer opstaan.

ik ben…

Een perfectionist, dat was ik zeker, piepend en mauwend over iedere millimeter, elke komma. Hoe frustrerend als je hoofd niet goed meer meewerkt en je achteraf ziet daar je steeds meer fouten maakt. Het zet je wel met je voetjes op de vloer, het zet je op je plaats. Ik was soms ronduit irritant in mijn kommaprecisie, ik probeer iets losser te zijn, ik moet wel.

Beperkt in verfraaiing, de tijd er niet voor en vooral de energie niet meer voor. Je neemt me maar zoals ik ben, kwestie van keuzes maken.

En ja, verzwakt door sterk zijn, jaren van inleveren eisen hun tol. Het is een keer op, het houdt een keer op. Ook ik heb mijn zwakke momenten, al hou ik ze liever voor me.

Het mooie is dat al deze punten omgekeerd je kracht zijn, ik ben sterk, door mijn zwaktes, ik ben mooi in al mijn beperkingen, ik ben perfect gebroken. Ik ben ik, goed zoals ik ben!

17504326_1151468678296265_345059157463995967_o

in therapie

Ik ben weer in therapie, fysiek dit keer, mentaal heb ik mezelf dik in orde bevonden. Ik heb veel mentale issues overwonnen en mijn lijf vijf jaar rust gegeven. Ik heb in die jaren stabiliteit terug verworven, ik heb het absolute nulpunt uiteindelijk dan toch bereikt en op en stabiele basis kun je in theorie bouwen, dus begin ik aan poging weet ik hoeveel.

Een week of wat geleden begon mijn zoektocht naar dé therapeut. Iemand die weet wat EDS is en inhoudt, die luistert en open staat voor anders denken. Ik heb haar gevonden en ze denkt niet alleen mee, ze zoekt ook mee naar ideeën, naar oplossingen. Zo ben ik samen met zoonlief in therapie, gezellig en noodzakelijk, voor beiden.

Vandaag was voor mij de derde keer, ik probeer mijn eigenwijzigheid dit keer te beteugelen. Ik probeer binnen de lijntjes van mijn grenzen te kleuren (voor ze mij weer bont en blauw kleuren) en dat is dan direct een soort van mentale therapie. Een fikse mentale therapie eigenlijk, want met mijn eigenwijzigheid heb ik veel verkloot.

Het grootste probleem is mijn enthousiasme, ik wil zo ontzettend graag! Eigenlijk gaat dat mijn hele leven al zo, ik wil en ik wil meteen. Ik waan mij al snel super woman, zie mogelijkheden, overal. Ik heb ooit keyboardles gevolgd, maar wilde niet beginnen met saaie riedeltjes, ik wilde de top 40 in en wel direct. Zonder basis, zonder saaie noten, gewoon hoppakee gaan. Dat heb ik dus nog steeds, maar zo werkt het niet, het vergt geduld, heel veel geduld.

Je zou zeggen je hebt vijf jaar stil liggend geoefend, dat moet je onder de knie hebben, maar het blijkt toch nog weer lastig. Vandaag was een grote oefening op dit mentale front, even groot als op fysiek vlak. Ik zet grote stappen al lijken ze klein. In een uur mag ik tien keer een minuut fietsen, op geen weerstand (eh zonder dus), op laag (zeer laag) tempo en met de nodige rust tussendoor. Na een half uur voor mij fikse inspanning had ik maar liefst één hele kilo calorie verbrand aldus het martelapparaat. Verder mag ik drie keer 50 meter wandelen op de loopband, mezelf in balans houdend door me vast te houden en wederom met pauzes. En ik doe drie sessies van tien buikspieroefeningen.

Vooral het lopen was een mentale uitdaging. Je wordt met je neus op de feiten gedrukt, 50 meter is niets, mijn tempo is niets en na deze exercitie zijn mijn benen pap. Moet ik zitten met een zere heup en zere knieën, en het allerergste? Ik kan niet meer nadenken. Ik kan de startknop niet vinden in mijn hoofd, die is verborgen in een laag dichte mist. Zoveel invloed heeft fysieke inspanning op mij.

Op dit moment lig ik plat, ik ben kapot, ik heb het gevoel een triatlon achter de rug te hebben, maar ik heb hem gewonnen, overwonnen. Ik heb de startknop gevonden, ik ben weer in training en al lijkt het niets, al is het een druppel in een (nog) lege emmer, het is dé druppel, dé eerste druppel van ik hoop vele. Het is een begin, een start, er is weer een beetje hoop, echte hoop, reële hoop.

Ik ben in training!